AlgebraII Tom
AlgebraII Tom
Tom De Medts
Vakgroep Wiskunde: Algebra en Meetkunde
Opleiding Wiskunde
Derde bachelor, tweede semester
Academiejaar 2022–2023
Inhoudsopgave
2 Enkelvoudige groepen 19
2.1 Enkelvoudigheid van An , n ≥ 5 . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
2.2 Enkelvoudigheid van PSL2 (k) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
2.3 De classificatie van de eindige enkelvoudige groepen . . . . . . 30
3 Velduitbreidingen 35
3.1 Algebraı̈sche en transcendente elementen . . . . . . . . . . . . 35
3.2 De graad van een velduitbreiding . . . . . . . . . . . . . . . . 41
3.3 Splijtvelden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
3.4 Algebraı̈sch gesloten velden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3.5 Eindige velden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
4 Galoistheorie 57
4.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
4.2 Normale uitbreidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
4.3 Separabele uitbreidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66
4.4 Galois-uitbreidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
4.5 De hoofdstelling van de Galoistheorie . . . . . . . . . . . . . . 72
4.6 Een voorbeeld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
4.7 Natuurlijke irrationaliteiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
4.8 Inseparabiliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
4.9 Radicale uitbreidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
4.10 De grondstelling van de algebra . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
iii
5 Vrije groepen 103
5.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
5.2 Presentaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
5.3 Vrije acties op bomen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 Inter-
national License. To view a copy of this license, visit http://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/4.0/.
iv
Nilpotente en
Hoofdstuk
1 oplosbare groepen
1
(ii) Zij N E G een normaaldeler en H ≤ G een deelgroep. Als N en H
complementair zijn in G, dan zeggen we dat G het (inwendig) semidirect
product is van N en H.
(iii) Zij θ : G → H een epimorfisme. Een morfisme σ : H → G is een sectie
voor θ als θ ◦ σ = idH .
Het volgend lemma lijkt heel erg op een lemma dat we vroeger hebben
ontmoet voor modulen.
2
behoort. De corresponderende permutatierepresentatie is dus in dit geval een
morfisme α : H → Aut(N).
G = {(h, n) | h ∈ H, n ∈ N},
met groepsbewerking
N := {(1, n) ∈ G} E G, N∼
= N,
H := {(h, 1) ∈ G} ≤ G, H∼
= H.
3
Het is nu evident dat N en H voldoen aan (a) en (b). We gaan nu (c) na
door middel van een eenvoudige berekening. Voor alle n ∈ N en alle h ∈ H
geldt
(n)h = (1, n)(h,1) = (h−1 , 1) · (1, n) · (h, 1) = (1, nh ) = nh ,
wat aantoont dat G aan alle gewenste eigenschappen voldoet.
De uniciteit is ook duidelijk: als G′ een andere groep is met deelgroepen
He en N
e met de gewenste eigenschappen (a), (b) en (c), dan volgt uit (a) en
(b) dat elk element van G′ uniek te schrijven is als product van een element
e met een element uit N
uit H e . De vermenigvuldiging van twee willekeurige
′
elementen in G wordt dan gegeven door de regel in (c), en we krijgen precies
e
hen·e
kme =e
hek·e ee
k −1 nk·m f·f
e = hk nk · m f · ng
e = hk k m,
Opmerking 1.1.7. (i) Als G het uitwendig semidirect product is van twee
groepen N en H met betrekking tot een zekere actie van H op N,
stel G = N ⋊α H, dan is G het inwendig semidirect product van de
corresponderende deelgroepen N ≤ G en H ≤ G.
(ii) Omgekeerd, als G een inwendig semidirect product is van twee deelgroe-
pen N ≤ G en H ≤ G, dan is G isomorf met het uitwendig semidirect
product van N en H met betrekking tot de actie van H op N gegeven
door toevoeging in G.
4
(2) Beschouw N = Cn en H = C2 = {1, z}, waarbij de actie van H op N
gegeven is door
g z = g −1
voor alle g ∈ N. (Bemerk dat dit een automorfisme van N is omdat N
abels is.) Dan is N ⋊ H ∼= D2n .
Merk op dat in D2n de groep N precies de groep van de rotaties is, terwijl
H een groep is voortgebracht door één willekeurige loodrechte spiegeling.
Dit is dus een voorbeeld waarin het complement H van N duidelijk niet
uniek is.
(3) Zij n ∈ N, n ≥ 2. Beschouw G = Sn , N = An , en H = {id, (1 2)} ∼ = C2 ,
zodat N E G en H ≤ G. Dan is G = N ⋊ H.
(4) De groep G = Q8 = {±1, ±i, ±j, ±k} kan niet geschreven worden als
het semidirect product van twee echte deelgroepen. Inderdaad, elke niet-
triviale deelgroep van G bevat het centrum Z(G) = {±1}, zodat de
voorwaarde N ∩ H = 1 nooit voldaan kan zijn. De groep Q8 is dus een
niet-gespleten extensie van C2 door C4 .
(5) Zij G een willekeurige groep, en beschouw de werking van G op zichzelf
door toevoeging. Met betrekking tot deze actie is G ⋊ G ∼
= G × G. (Ga
dit zelf na als oefening.)
(6) Zij G een willekeurige groep. Dan werkt Aut(G) op natuurlijke wijze
op G via automorfismen, en dus kunnen we het semidirect product A :=
G⋊Aut(G) beschouwen. In deze groep is dus elk automorfisme van G een
inwendig automorfisme geworden (wat natuurlijk nog niet wil zeggen dat
elk automorfisme van A inwendig is). Deze groep A wordt de holomorf
van G genoemd, en wordt genoteerd als A = Hol(G).
(7) Zij A een willekeurige groep, en H een eindige permutatiegroep, i.e.
H ≤ Sym(d) voor een zekere d ∈ N, d ≥ 1. Beschouw dan de groep
N = Ad := A × · · · × A (d keer), en de actie van H op N gegeven door
het permuteren van de d kopieën van A, i.e.
(a1 , . . . , ad )σ = a1σ−1 , . . . , adσ−1
5
probleem, dat geen eenvoudig antwoord heeft. Vermeldenswaardig in deze
context is het feit dat de verzameling van alle centrale extensies van een
groep H door een (noodzakelijkerwijze abelse) groep N, i.e. de extensies
G zodat N ≤ Z(G), in bijectief verband staat met H 2(H, N), de tweede
cohomologiegroep van H met coëfficiënten in N met triviale actie van H
op N.
Het belang van het extensieprobleem blijkt zeer sterk als we de structuur
van willekeurige groepen willen onderzoeken. Het is natuurlijk om een groep
“op te delen” in kleinere stukken, die we hopelijk beter begrijpen. Een der-
gelijke opdeling kunnen we verkrijgen door een normaaldeler N van de groep
G te beschouwen, en vervolgens de studie van G te herleiden tot die van
N en G/N. De vraag rijst dan in welke mate de structuur en eigenschap-
pen van G bepaald zijn door die van N en G/N, en dit is precies waar het
extensieprobleem opduikt.
Het is zinvol om deze opdeling zo fijn mogelijk te doen. Dit kunnen we
verkrijgen door een maximale normaaldeler N van G te beschouwen.
Definitie 1.1.10. Zij G een groep.
(i) Een deelgroep M ≤ G is een maximale deelgroep als M < G, en als er
geen deelgroep H ≤ G bestaat met M < H < G.
(ii) Een normaaldeler N E G is een maximale normaaldeler als N < G, en
als er geen normaaldeler H E G bestaat met N < H < G.
Als N een maximale normaaldeler is, dan weten we immers uit de corres-
pondentiestelling (zie Gevolg 1.2.3 verderop) dat G/N enkelvoudig is. Als we
dit proces nu herhalen op N en zo verder gaan, hebben we onze groep “opge-
deeld” in allemaal enkelvoudige groepen. Dit is één van de sterke motivaties
waarom enkelvoudige groepen van zo groot belang zijn in de groepentheorie;
we gaan hier in Hoofdstuk 2 verder op in.
We geven een formele definitie van zo’n “opdeling”.
Definitie 1.1.11. Zij G een willekeurige groep. Een rij van deelgroepen2
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G
wordt een compositierij genoemd als elke Gi een maximale normaaldeler is
in Gi+1 (voor alle 0 ≤ i ≤ n − 1), of equivalent, als elk quotiënt Gi+1 /Gi
een enkelvoudige groep is. Deze enkelvoudige factoren Gi+1 /Gi worden de
compositiefactoren van de compositierij genoemd.
2
Merk op dat de Gi in het algemeen geen normaaldelers van G zijn, want een normaal-
deler van een normaaldeler is niet noodzakelijk een normaaldeler. Het zijn zogenaamde
subnormaaldelers.
6
We geven de volgende belangrijke stelling mee zonder bewijs.
Stelling 1.1.12 (Jordan–Hölder). Zij G een willekeurige groep, en veron-
derstel dat G twee verschillende compositierijen
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G,
1 = H0 E H1 E · · · E Hm−1 E Hm = G
Zonder bewijs.
Opmerking 1.1.13. De compositierijen zelf zijn dus niet uniek! Beschouw,
bij wijze van eenvoudig voorbeeld, de groep G = C6 . Dan heeft G twee
verschillende compositierijen
1 E C2 E G,
1 E C3 E G.
Echter, beide rijen hebben dezelfde lijst van compositiefactoren, nl. {C2 , C3 }.
Opmerking 1.1.14. Het is duidelijk dat elke eindige groep een composi-
tierij heeft. Inderdaad, we kunnen in elke stap een maximale normaaldeler
nemen, en omdat de groep eindig is, zal dit proces eindigen. Het is echter niet
zo dat elke oneindige groep een compositierij heeft; het eenvoudigste voor-
beeld hiervan is de oneindige cyclische groep (Z, +), waarvan elke maximale
normaaldeler opnieuw isomorf is met (Z, +) zelf.
1.2 De correspondentiestelling
Daarnet merkten we op dat indien G een groep is met een maximale nor-
maaldeler N E G, dan G/N enkelvoudig is. Dit is een bijzonder geval van de
algemenere correspondentiestelling, die een verband geeft tussen deelgroepen
van een quotiëntgroep G/N en deelgroepen van G die N bevatten.
We formuleren de stelling eerst in termen van groepsmorfismen; uiteinde-
lijk zal vooral Gevolg 1.2.2 van belang zijn. Merk op dat we Gevolg 1.2.2(i)
reeds ontmoet hebben in de cursus “Algebra I”.
Stelling 1.2.1 (Correspondentiestelling). Zij θ : G → H een surjectief groeps-
morfisme, met kern N = ker(θ) E G. Definieer
S := {U | N ≤ U ≤ G}
7
en
T := {V | V ≤ H}.
Dan induceren θ en θ−1 inverse bijecties tussen S en T . Bovendien bewaren
deze bijecties inclusies, indices, normaliteit, en quotiëntgroepen.
Deze stelling zal voornamelijk toegepast worden in het geval dat H = G/N
en θ : G → G/N de canonieke projectie is. In het bijzonder geeft deze stelling
een beschrijving van de deelgroepen en normaaldelers van een quotiëntgroep:
Bewijs. Wegens Gevolg 1.2.2 is elke normaaldeler van G/N van de vorm
H/N, voor een normaaldeler H ≤ G die N bevat. Aangezien N een maximale
normaaldeler is, kan dit enkel indien H = N of H = G, en bijgevolg H/N = 1
of H/N = G/N.
8
Definitie 1.3.1. Zij G een willekeurige groep.
(i) Zij g, h ∈ G. De commutator van g en h definiëren we als
[g, h] := g −1h−1 gh .
(ii) De verzameling van alle commutators
S = {[g, h] | g, h ∈ G}
vormt in het algemeen geen deelgroep van G. Daarom definiëren we
[G, G] := h[g, h] | g, h ∈ Gi ,
en we noemen dit de commutatordeelgroep van G of de afgeleide groep
van G. Ook de notaties G′ , G(1) en δ(G) worden hiervoor gebruikt.
Merk op dat [G, G] = 1 als en slechts als G abels is.
(iii) Als A, B ≤ G twee deelgroepen zijn, dan definiëren we algemener
[A, B] := h[a, b] | a ∈ A, b ∈ Bi ,
en we noemen dit de commutator van A en B. We zeggen dat twee
deelgroepen A en B (met elkaar) commuteren als [A, B] = 1, of dus als
elk element van A commuteert met elk element van B. Merk op dat
dit niet equivalent is met de uitspraak AB = BA!
(iv) Het centrum van G bestaat uit de elementen van G die met alle ele-
menten van G commuteren:
Z(G) := {g ∈ G | gh = hg voor alle h ∈ G} .
(v) We definiëren inductief de n-de (normale) afgeleide van G als
G(n) = δ G(n−1)
voor alle n > 0, waarbij G(0) = G en dus G(1) = δ(G). De afgeleide rij
van G is dan de (mogelijks oneindige) dalende rij van deelgroepen
G = G(0) ≥ G(1) ≥ G(2) ≥ · · ·
(vi) We definiëren inductief de n-de centrale afgeleide van G als
G[n] = G, G[n−1]
voor alle n > 0, waarbij G[0] = G en dus ook G[1] = G(1) . De dalende
centrale rij 3 van G is dan de (mogelijks oneindige) dalende rij van
deelgroepen
G = G[0] ≥ G[1] ≥ G[2] ≥ · · ·
3
In het Engels spreekt men van de lower central series.
9
(vii) We definiëren inductief het n-de centrum van G als
voor alle n > 0, waarbij Z0 (G) = 1 (en dus ook Z1 (G) = Z(G)). Anders
gezegd, Zn (G) is de grootst mogelijke deelgroep van G zodat
een deelgroep oplevert. Men bewijst dit makkelijkst door per inductie
op n te bewijzen dat Zn (G) een normaaldeler is, en gebruik te maken
van de identiteit
[ab, h] = [a, h]b [b, h]
voor alle a, b, h ∈ G. Werk zelf de details uit als oefening.
(ii) Men kan het n-de centrum van G eveneens inductief definiëren als de
unieke deelgroep Zn (G) ≤ G zodat
Zn (G)/Zn−1 (G) = Z G/Zn−1(G)
voor alle n > 0, waarbij Z0 (G) = 1 (en dus ook Z1 (G) = Z(G)).
Merk op dat dit inderdaad de groepen Zn (G) uniek bepaalt omwille
van Gevolg 1.2.2(i). Ga zelf na dat deze definitie equivalent is met
Definitie 1.3.1(vii).
4
In het Engels spreekt men van de upper central series.
10
(iii) De deelgroepen G(n) , G[n] en Zn (G) zijn allemaal karakteristieke deel-
groepen van G. Het is immers duidelijk uit hun definitie dat ze invariant
zijn onder willekeurige automorfismen van G, omdat elk automorfisme
een commutator afbeeldt op een commutator. Zie ook Lemma 1.3.4
verderop.
Voorbeelden 1.3.3. (1) De abelse groepen zijn precies de groepen die op-
losbaar zijn van lengte 1, en dit zijn ook precies de groepen die nilpotent
zijn van klasse 1.
(2) Beschouw de niet-abelse groep G = S3 ∼ = D6 van orde 6. Dan is G′ =
[G, G] ∼ (2)
= C3 , en dus is G = 1. Dus G is oplosbaar van lengte 2.
Anderzijds is [G, G′ ] = G′ , zodat G[1] = G[2] = . . . 6= 1; bijgevolg is G
niet nilpotent.
(3) Beschouw de niet-abelse groep G = A4 . Dan is G′ = [G, G] gelijk aan
Bijgevolg is G oplosbaar van lengte 2. Ook hier geldt dat G niet nilpotent
is.
(4) Beschouw de niet-abelse groep G = An , n ≥ 5. We zullen later aantonen
dat G enkelvoudig is, i.e. G heeft geen echte niet-triviale normaaldelers
(zie Stelling 2.1.8). In het bijzonder is G perfect, i.e. [G, G] = G. Inder-
daad, [G, G] is een normaaldeler van G, die niet-trivaal is omdat G niet
abels is, en wegens de enkelvoudigheid van G moet dan [G, G] = G. In
het bijzonder is G niet oplosbaar (en dus zeker ook niet nilpotent).
(5) Beschouw de niet-abelse groep G = D8 = {1, ρ, ρ2 , ρ3 , σ1 , σ2 , σ3 , σ4 },
waarbij ρ de rotatie over 90◦ is, en de σi de vier orthogonale spiegelingen
zijn. Dan is [G, G] = Z(G) = {1, ρ2 }, en dus is G[2] = [G, Z(G)] = 1,
zodat G nilpotent van klasse 2 is. Bijgevolg is G ook oplosbaar, van
lengte 2. Merk op dat uit [G, G] = Z(G) ook volgt dat Z2 (G) = G (en
dus ook Zn (G) = G voor alle n ≥ 2).
11
(iii) Zij N E G, en n ∈ N. Dan is
(G/N)(n) = G(n) N/N en (G/N)[n] = G[n] N/N.
(iv) Zij N E G. Dan is G/N abels als en slechts als G′ ≤ N.
Bewijs. We bewijzen eerst (i) en (ii). Voor n = 0 zijn deze uitspraken triviaal;
we gaan verder met inductie op n. Neem dus aan dat de uitspraken bewezen
zijn voor n − 1. Merk op dat [g, h]θ = [g θ , hθ ] voor alle g, h ∈ G. In het
bijzonder geldt enerzijds
(G(n) )θ = [G(n−1) , G(n−1) ]θ = (G(n−1) )θ , (G(n−1) )θ ,
en anderzijds
(G[n] )θ = [G, G[n−1] ]θ = Gθ , (G[n−1] )θ ,
waaruit het gestelde volgt. Merk ten slotte op dat (iii) volgt door (ii) toe
te passen op de canonieke projectie θ : G → G/N, en dat (iv) volgt uit (iii)
voor n = 1.
Lemma 1.3.5. Deelgroepen en quotiëntgroepen van een oplosbare groep (van
lengte k) zijn oplosbaar (van lengte ≤ k). Deelgroepen en quotiëntgroepen
van een nilpotente groep (van klasse k) zijn nilpotent (van klasse ≤ k).
Bewijs. De uitspraken voor deelgroepen volgen onmiddellijk uit het feit dat
voor H ≤ G geldt dat H (n) ≤ G(n) en H [n] ≤ G[n] voor alle n ∈ N. De
uitspraken voor quotiëntgroepen volgen uit Lemma 1.3.4(iii).
Opmerking 1.3.6. Zoals we reeds opmerkten is elke nilpotente groep ui-
teraard ook oplosbaar. Interessant is dat de lengte van oplosbaarheid sterk
begrensd wordt door de nilpotentieklasse. Zo kan men aantonen dat indien
G nilpotent is van klasse c, dan G oplosbaar is van lengte d waarbij
d < 1 + log2 (c + 1).
Bijvoorbeeld, als een groep G nilpotent is van klasse 3, dan is G′ abels is
(want G′′ = 1).
Voor eindige groepen bestaan er interessante alternatieve karakterisaties
voor nilpotentie en oplosbaarheid. De eindige oplosbare groepen zijn precies
die met de eenvoudigst mogelijke compositierijen, zoals we straks zullen zien
in Gevolg 1.3.10; de eindige nilpotente groepen zijn precies de groepen die
het direct product zijn van hun Sylow deelgroepen, zoals we zullen zien in
Stelling 1.3.18 verderop.
We beginnen met de oplosbare groepen wat nader te bekijken. Oplos-
baarheid gedraagt zich goed met betrekking tot extensies:
12
Stelling 1.3.7. Zij G een willekeurige groep met normaaldeler N E G, en
veronderstel dat zowel N als G/N oplosbaar zijn, stel van lengte respectieve-
lijk k en ℓ. Dan is ook G oplosbaar, van lengte ten hoogste k + ℓ.
Bewijs. Beschouw het canonieke epimorfisme π : G → G/N. Uit Lemma 1.3.4
weten we dat
(G(ℓ) )π = (G/N)(ℓ) = 1.
Dus G(ℓ) ≤ ker(π) = N. Uit Lemma 1.3.5 volgt nu dat G(ℓ) oplosbaar is van
lengte ten hoogste k, en dus is G(ℓ+k) = (G(ℓ) )(k) = 1.
Opmerking 1.3.8. De analoge bewering voor nilpotentie is fout. Dit volgt
reeds uit het heel eenvoudig voorbeeld G = S3 met normaaldeler N = C3 ,
waarbij zowel N als G/N nilpotent zijn, maar G niet nilpotent is. Merk
op dat het bovenstaande “bewijs” voor nilpotentie misloopt omdat in het
algemeen G[ℓ+k] 6= (G[ℓ] )[k].
Stelling 1.3.9. Zij G een willekeurige groep. Dan zijn volgende uitspraken
equivalent:
(a) G is oplosbaar (van lengte ten hoogste n);
(b) er is een rij normaaldelers Gi E G zodat
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G
waarbij elke factor Gi+1 /Gi abels is;
(c) er is een rij deelgroepen Gi ≤ G zodat
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G
waarbij elke factor Gi+1 /Gi abels is.
Bewijs. De implicatie (b) ⇒ (c) is triviaal.
Veronderstel nu dat G oplosbaar is van lengte ten hoogste n, en beschouw
de afgeleide rij
1 = G(n) E G(n−1) E · · · E G(1) E G(0) = G.
Dan voldoet deze rij (met Gi = G(n−i) ) aan de voorwaarden in (b), en dus
(a) ⇒ (b).
Ten slotte bewijzen we dat (c) ⇒ (a). Veronderstel dus dat er een der-
gelijke rij deelgroepen Gi ≤ G bestaat. Uit het feit dat Gi+1 /Gi abels is,
volgt dat G′i+1 ≤ Gi , voor elke i. In het bijzonder is G′ ≤ Gn−1 . Maar
dan is G′′ ≤ G′n−1 ≤ Gn−2 , en zo verder gaand vinden we dat G(k) ≤ Gn−k
voor alle k, en dus G(n) ≤ G0 = 1. Dus G is oplosbaar, van lengte ten
hoogste n.
13
Gevolg 1.3.10. Zij G een willekeurige groep, en veronderstel dat
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G
een compositierij is voor G. Dan is G oplosbaar als en slechts als elke com-
positiefactor een eindige groep van priemorde is.
Bewijs. Indien G een compositierij heeft waarvan elke factor een eindige
groep van priemorde is, dan volgt het gestelde onmiddellijk uit Stelling 1.3.9.
Veronderstel omgekeerd dat G oplosbaar is. Per definitie is elke compo-
sitiefactor Gi+1 /Gi een enkelvoudige groep, die echter wegens Lemma 1.3.5
oplosbaar moet zijn. Echter, als H een oplosbare enkelvoudige groep is, dan
is H ′ E H een echte normaaldeler van H, dus H ′ = 1 en dus is H abels. De
enige abelse enkelvoudige groepen zijn de cyclische groepen van priemorde
(zie “Algebra I”), en dit bewijst het gestelde.
1 E H E G′ E G
14
We bewijzen per inductie op k dat G[k] ≤ Zn−k voor alle k; deze uitspraak is
triviaal voor k = 0.
Stel dus k > 0 en G[k−1] ≤ Zn−k+1 . Dan is
Gevolg 1.3.13. Zij G een eindige groep. Dan is G nilpotent als en slechts
als Z(G/N) > 1 voor elke echte normaaldeler N ⊳ G.
Bewijs. Aangezien elke quotiëntgroep van een p-groep opnieuw een p-groep
is, en omdat elke p-groep een niet-triviaal centrum heeft (zie “Algebra I”),
volgt het gestelde onmiddellijk uit Gevolg 1.3.13.
Gevolg 1.3.15. Elke niet-triviale eindige p-groep heeft een normaaldeler van
index p.
1 = G0 E G1 E · · · E Gn−1 E Gn = G
voor G. Uit Gevolg 1.3.10 volgt dat G/Gn−1 een eindige groep van priemorde
is; aangezien |G| een macht is van p kan dit enkel als [G : Gn−1 ] = p, zodat
Gn−1 de gezochte normaaldeler van index p is.
15
Uiteraard is het direct product van nilpotente groepen nog steeds nilpo-
tent, en dus zien we dat het direct product van p-groepen (voor mogelijks
verschillende priemen p) eveneens nilpotent is. Misschien verrassend is het
feit dat dit ook de enige eindige nilpotente groepen zijn.
Eerst bewijzen we nog een eenvoudig maar krachtig lemma, het zoge-
naamde Frattini argument.
Lemma 1.3.16 (Frattini argument). Zij G een willekeurige groep, N E G
een eindige normaaldeler, en P ∈ Sylp (N) een Sylow p-deelgroep van N, voor
een zekere priem p. Dan is G = NG (P )N.
Bewijs. Zij g ∈ G willekeurig, en beschouw P g . Dan is P g ≤ N g = N, en dus
P g ∈ Sylp (N). Uit de stelling van Sylow volgt dat P en P g toegevoegd zijn
in N, dus er bestaat een n ∈ N zodat P n = P g . Maar dan is gn−1 ∈ NG (P ),
en bijgevolg g ∈ NG (P )n ⊆ NG (P )N.
Lemma 1.3.17. Zij G een groep, en H en K deelgroepen van G. Dan is
K ≤ NG (H) als en slechts als [H, K] ≤ H.
Bewijs. Veronderstel eerst dat K ≤ NG (H), en beschouw een voortbrenger
[h, k] van [H, K], met h ∈ H en k ∈ K. Dan is [h, k] = h−1 hk ∈ H. Bijgevolg
is [H, K] ≤ H.
Veronderstel omgekeerd dat [H, K] ≤ H; dan is [h, k] ∈ H voor alle
h ∈ H en alle k ∈ K. Hieruit volgt dat hk ∈ H voor alle h ∈ H en alle
k ∈ K, en dus k ∈ NG (H) voor alle k ∈ K. Dus K ≤ NG (H).
Stelling 1.3.18. Zij G een eindige groep. Dan zijn volgende uitspraken
equivalent:
(a) G is nilpotent;
(b) NG (H) > H voor elke echte deelgroep H < G;
(c) elke maximale deelgroep van G is een normaaldeler;
(d) elke Sylow deelgroep van G is een normaaldeler;
(e) G is isomorf met het direct product van p-groepen (voor verschillende
priemen p).
Bewijs. (a) ⇒ (b). Veronderstel dat G nilpotent is, en stel H < G willekeu-
rig. Zij k ∈ N minimaal zodat G[k] ≤ H; dan is G[k−1] 6≤ H. Anderzijds
is [H, G[k−1] ] ≤ [G, G[k−1] ] = G[k] ≤ H, en uit Lemma 1.3.17 volgt dat
G[k−1] ≤ NG (H). We besluiten dat H 6= NG (H), dus (b) geldt.
(b) ⇒ (c). Als M < G een maximale deelgroep is, dan is NG (M) > M
wegens (b), en dus NG (M) = G, met andere woorden, M E G.
16
(c) ⇒ (d). Zij P ∈ Sylp (G) willekeurig, en veronderstel dat P geen normaal-
deler zou zijn, dus NG (P ) < G. Kies een maximale deelgroep M die
NG (P ) bevat; wegens (c) is dan M E G, en ook P ∈ Sylp (M). We
kunnen dus het Frattini argument (Lemma 1.3.16) toepassen, en we
besluiten dat G = NG (P )M, in strijd met NG (P ) ≤ M.
(d) ⇒ (e). Om te bewijzen dat G het direct product is van deelgroepen
S1 , . . . , Sℓ , volstaat het om na te gaan dat
– elke Si een normaaldeler is;
– Si ∩ Si+1 · · · Sℓ = 1 voor elke i ∈ {1, . . . , ℓ − 1};
– G = S1 S2 · · · Sℓ .
(Zie opnieuw “Algebra I”.) Stel dus dat p1 , . . . , pℓ de verschillende
priemdelers zijn van G, en stel Si gelijk aan de (unieke) Sylow pi -deel-
groep van G. Dan zijn de Si inderdaad normaaldelers, en aangezien
de orde van Si een macht van pi is terwijl de orde van Si+1 · · · Sℓ niet
deelbaar is door pi , volgt het gestelde.
(e) ⇒ (a). Dit hebben we reeds aangetoond.
Tot slot vermelden we nog twee zeer diepe resultaten in verband met
oplosbare groepen.
Stelling 1.3.20 (Burnside, 1904). Zij G een eindige groep met |G| = pk q ℓ
voor zekere priemen p en q, en zekere k, ℓ ∈ N. Dan is G oplosbaar.
Het oorspronkelijke, en nog steeds meest elegante, bewijs van deze stelling
maakt gebruik van karaktertheorie. In het begin van de jaren 1970 hebben
Goldschmidt (voor p en q oneven), en nadien Bender en Matsumaya (voor
p en q algemeen), een karaktervrij, maar erg geavanceerd, alternatief bewijs
gegeven van deze stelling.
Stelling 1.3.21 (Feit–Thompson, 1963). Zij G een eindige groep van oneven
orde. Dan is G oplosbaar.
Het bewijs van deze stelling is onvoorstelbaar diep, en het neemt 255
bladzijden in beslag.
17
Hoofdstuk
2 Enkelvoudige groepen
19
cykels. De cykelstructuur van g is de data die de lengtes van deze disjuncte
cykels weergeeft. We noteren de cykelstructuur als
md
cm m2
1 · c2 · · · cd ,
1
15 , 1 · 22 , 12 · 3, 5,
20
en dus alle 20 elementen van orde 3. Dus |N| > 20, en de enige echte deler
van 60 groter dan 20 is 30, dus |N| = 30.
Indien 5 | |N|, dan volgt geheel analoog dat N alle 24 elementen van orde
5 bevat, dus |N| > 24, en dus opnieuw |N| = 30.
We stellen dus reeds vast dat indien 3 | |N| of 5 | |N|, dan in feite 3 | |N|
én 5 | |N|, en dus bevat N reeds 20 elementen van orde 3 en 24 elementen
van orde 5, wat onmogelijk is.
Dus de enige priemdeler van |N| is 2. Indien |N| = 4, dan bevat N een
Sylow 2-deelgroep van A5 , en dus alle 15 elementen van orde 2, wat uiteraard
niet kan.
Er blijft dus nog enkel het geval |N| = 2 over. Het niet-triviale element
n ∈ N heeft cykelstructuur 1 · 22 en heeft dus een cykeldecompositie n =
(a b)(c d). Het element h = (b c d) ∈ A5 houdt echter het element n niet
vast onder toevoeging, en deze contradictie besluit het bewijs.
Opmerking 2.1.7. In S5 vormt de verzameling van alle 5-cykels één toe-
voegingsklasse (wegens Stelling 2.1.3), en deze klasse is volledig bevat in A5 ,
maar deze toevoegingsklasse splitst op in twee toevoegingsklassen in A5 . (Ga
dit zelf na als oefening.)
Stelling 2.1.8. Voor elke n ≥ 5 is de alternerende groep An enkelvoudig.
Bewijs. We bewijzen dit per inductie op n, waarbij het geval n = 5 precies
Lemma 2.1.6 is. Zij dus n ≥ 6, stel G = An , en veronderstel dat 1 6= N ⊳ G
een echte niet-triviale normaaldeler is. Zij H = StabG (n); dan is H ∼= An−1 ,
en door de inductiehypothese weten we dat H enkelvoudig is. Aangezien
N ∩ H E H, volgt hieruit dat ofwel N ∩ H = 1, ofwel H ≤ N.
Veronderstel eerst dat H ≤ N. Omdat N een normaaldeler is, volgt hier-
uit dat ook H g ≤ N voor alle g ∈ An , en omdat An uiteraard transitief werkt
op {1, . . . , n}, halen we hieruit dat StabG (i) ≤ N voor alle i ∈ {1, . . . , n}.
In het bijzonder bevat N dus alle elementen die het product zijn van twee
transposities, maar dan is N = An , strijdig.
Veronderstel nu dat N ∩ H = 1. Dan is ook N ∩ H g = (N ∩ H)g = 1, en
dus N ∩ StabG (i) = 1 voor alle i, i.e. enkel het triviale element van N heeft
fixpunten. Kies nu een g ∈ N \ {1} willekeurig. De cykeldecompositie van g
bevat ofwel een m-cykel met m ≥ 3, ofwel bestaat het volledig uit 2-cykels,
maar dan zijn er ten minste twee 2-cykels. Door de elementen {1, . . . , n} te
hernummeren mogen we dus veronderstellen dat g de gedaante
g = (1 2 3 . . . m) · · · of g = (1 2)(3 4) · · ·
heeft. Beschouw nu h = g (3 5 6)
∈ N. Dan is
h = (1 2 5 . . . ) · · · of h = (1 2)(5 4) · · ·
21
In beide gevallen is g 6= h en fixeert gh−1 het punt 1. Aangezien gh−1 ∈ N
is dit een strijdigheid.
Merk op dat PSLn (k) het beeld is van SLn (k) onder de canonieke projectie
π : GLn (k) → PGLn (k). Wegens de tweede isomorfiestelling geldt ook dat
PSLn (k) ∼= SLn (k)/Z(SLn (k)).
Het is gebruikelijk om de matrices in GLn (k) met ronde haken te noteren,
en hun overeenkomstig beeld onder de projectie π met vierkante haken. Als
22
A ∈ GLn (k), dan noteren we ook [A] voor de overeenkomstige matrix π(A) ∈
PGLn (k), en er geldt:
23
Beschouw de actie van PGL2 (k) op de projectieve rechte P1 (k). Deze
actie is getrouw en drievoudig transitief (zie opnieuw cursus “Projectieve
meetkunde”). In het geval dat k een eindig veld Fq is, betekent dit dus dat
er een monomorfisme
ϕ : PGL2 (Fq ) ֒→ Sq+1
is, waarbij het beeld een drievoudig transitieve deelgroep van Sq+1 is. Indien
q = 2 of q = 3, dan kan dit enkel als im ϕ = Sq+1 , met andere woorden,
PGL2 (F2 ) ∼
= S3 , PGL2 (F3 ) ∼
= S4 .
Anderzijds volgt uit (2.1) dat PSL2 (F2 ) = PGL2 (F2 ), terwijl PSL2 (F3 ) een
deelgroep van index 2 is in PGL3 (F3 ). De enige deelgroep van index 2 van S4
is echter A4 (zie cursus “Algebra I”); dit toont aan dat PSL2 (F3 ) ∼
= A4 .
Opmerking 2.2.3. Als Fq een eindig veld is, dan noteren we PSLn (Fq ) ook
nog als PSLn (q). Sommige auteurs verkiezen de notatie PSL(n, q), en ook de
notatie Ln (q) vindt men soms terug.
Ook in het verder verloop zal de actie van PSL2 (k) op de projectieve
rechte een belangrijke rol spelen. Het cruciale aspect is dat deze actie een
zogenaamde primitieve actie is.
Definitie 2.2.4. Zij G een willekeurige groep die werkt op een willekeurige
verzameling S.
(i) Een niet-ledige deelverzameling B ⊆ S wordt een imprimitiviteitsblok
(of soms kortweg blok) genoemd, als voor alle g ∈ G geldt dat
ofwel B g = B, ofwel B g ∩ B = ∅.
(ii) Een blok B ⊆ S wordt triviaal genoemd als ofwel |B| = 1, ofwel B = S.
Merk op dat voor elke actie deze verzamelingen B inderdaad imprimiti-
viteitsblokken zijn, wat verklaart waarom we dergelijke blokken triviaal
noemen.
(iii) De actie van G op S wordt primitief genoemd, als ze transitief is en
geen niet-triviale imprimitiviteitsblokken heeft.
24
B ( S zijn met |B| > 1 en B 6= S, maar dan geldt voor elke g ∈ G dat
B g = B, zodat B een niet-triviaal imprimitiviteitsblok zou zijn.
Echter, voor |S| = 2 geldt dit niet: als G een groep is die triviaal werkt
op een dergelijke S, dan heeft deze actie geen niet-triviale imprimitivi-
teitsblokken, maar uiteraard is ze niet transitief.
(ii) Als G transitief werkt op S, en B is een imprimitiviteitsblok, dan vor-
men alle blokken B g samen een G-invariante partitie van de verza-
meling S. Omgekeerd geldt ook dat als G transitief werkt, en er een
G-invariante partitie is van S, dan zal elke verzameling van die partitie
een imprimitiviteitsblok vormen voor de actie van G op S. We kunnen
dus ook nog zeggen dat de actie primitief is als ze transitief is en S geen
niet-triviale G-invariante partitie heeft, waarbij we onder een triviale
partitie verstaan dat we S ofwel opdelen in 1 verzameling (S zelf), ofwel
in |S| singletons (elk element van S in een eigen verzameling).
Bewijs. Zij G een groep die tweevoudig transitief werkt op een verzame-
ling S. We mogen uiteraard aannemen dat |S| ≥ 2. Veronderstel dat B een
imprimitiviteitsblok is met |B| > 1; we moeten aantonen dat dan B = S.
Veronderstel het tegendeel; dan vinden we elementen x 6= y ∈ B en z ∈ S \B.
Wegens de tweevoudige transitiviteit is er een g ∈ G die het paar (x, y) af-
beeldt op (x, z), i.e. xg = x en y g = z. Maar dan is B g ∩ B 6= ∅, terwijl toch
B g 6= B, in strijd met het feit dat B een blok is.
Voorbeeld 2.2.7. We geven een voorbeeld van een actie die primitief is,
maar niet tweevoudig transitief. Zij G de cyclische groep Z/p, waarbij p ≥ 3
priem is, en beschouw de actie van G op de verzameling S = {0, 1, . . . , p − 1}
door optelling modulo p. Uiteraard is deze actie transitief. Omdat elke
puntstabilisator Gs triviaal is, is de actie zeker niet tweevoudig transitief.
(In feite is deze actie scherp transitief.)
Veronderstel dat B ( S een niet-triviaal imprimitiviteitsblok is, en stel
x 6= y ∈ B. Neem g = (y − x mod p) ∈ G; dan is xg = y, dus B g ∩ B 6= ∅,
en dus moet B g = B. Hieruit volgt dan dat ook y g ∈ B, maar dan ook
(y g )g ∈ B, en zo verder, zodat dus y hgi ⊆ B. Echter, G heeft geen echte
niet-triviale deelgroepen, en dus hgi = G, zodat B = y G = S, strijdig.
Merk op dat de gelijkaardige actie van G = Z/n op S = {0, 1, . . . , n − 1}
waarbij n niet priem is, geen primitieve actie is. (Zoek zelf een niet-trivaal
blok voor deze actie.)
25
Het belang van primitieve acties blijkt onder meer uit de volgende stelling.
Stelling 2.2.8. Zij G een groep die transitief werkt op een verzameling S
met |S| ≥ 2, en zij s ∈ S willekeurig. Dan werkt G primitief op S als en
slechts als Gs := StabG (s) een maximale deelgroep is van G.
Bewijs. Merk vooraf op dat Gs 6= G omdat anders {s} een baan zou zijn en
G dan niet transitief zou werken. We zullen aantonen dat G niet primitief
werkt op S als en slechts als Gs geen maximale deegroep is van G.
Stel dus eerst dat Gs geen maximale deelgroep is van G; dan is er een
deelgroep H van G zodat
Gs < H < G.
Stel dan B = sH ; we beweren dat B een niet-triviaal blok is. Om aan te
tonen dat het een blok is, moeten we voor elke g ∈ G met B g ∩ B 6= ∅
bewijzen dat B g = B. Inderdaad, stel t ∈ B g ∩ B = sHg ∩ sH , zodat we
′
h, h′ ∈ H vinden met t = sh g = sh . Dan is h′ gh−1 ∈ Gs ≤ H, en bijgevolg
g ∈ H. Hieruit volgt dat B g = sHg = sH = B. Dit bewijst dat B een blok
is.
Veronderstel dat B een triviaal blok zou zijn. Als enerzijds |B| = 1, dan
zou sH = B = {s}, zodat H ≤ Gs , in strijd met Gs < H. Als anderzijds
B = S, dan zou sH = S. Maar dan is er voor elke g ∈ G ook een h ∈ H
zodat sg = sh , waaruit dan gh−1 ∈ Gs ≤ H en dus g ∈ H, in strijd met
H < G.
We besluiten dat B een niet-triviaal blok is, en dus is de actie van G op
S niet primitief.
Stel nu omgekeerd dat G niet primitief werkt op S. Beschouw een niet-
triviaal blok B, kies een t ∈ B, en beschouw
H := {h ∈ G | B h = B} = {h ∈ G | B h ∩ B 6= ∅}.
We zullen aantonen dat Gt < H < G, waaruit dan volgt dat Gt geen maxi-
male deelgroep is. Omdat G transitief werkt, volgt hieruit dan ook dat Gs
geen maximale deelgroep is.
Merk op dat de inclusies Gt ≤ H ≤ G evident zijn. Kies nu elementen
x ∈ B \ {t} en y ∈ S \ B willekeurig. Wegens de onderstelde transitiviteit
bestaat er een g ∈ G met tg = x; het is duidelijk dat g ∈ H terwijl g 6∈ Gt ,
wat aantoont dat Gt < H.
′
Anderzijds bestaat er een g ′ ∈ G met tg = y; dan is g ′ 6∈ H, wat aantoont
dat H < G.
We besluiten dat Gt , en dus ook Gs , geen maximale deelgroep is van G.
26
Voorbeeld 2.2.9. Beschouw opnieuw de actie van G = Z/n op de verza-
meling S = {0, 1, . . . , n − 1} door optelling modulo n. Het is duidelijk dat
StabG (0) = 1. De triviale groep is een maximale deelgroep van G als en
slechts als G geen echte niet-triviale deelgroepen heeft, en voor G = Z/n
is dit uiteraard equivalent met het feit dat n priem is; we vinden dus de
resultaten uit Voorbeeld 2.2.7 terug.
Opmerking 2.2.10. Stelling 2.2.8 zegt niet dat bij een primitieve actie elke
maximale deelgroep een punt-stabilisator zou zijn. Zo heeft de groep S5 , die
primitief werkt op S = {1, . . . , 5}, een maximale deelgroep A5 ≤ S5 , maar
A5 is geen punt-stabilisator voor deze actie.
Lemma 2.2.11. Zij G een groep die transitief werkt op een verzameling S,
en zij N E G.
(i) De banen van N worden door G onderling gepermuteerd, en elke baan
van de actie van N op S heeft dezelfde lengte.
(ii) Als de actie van G op S primitief en getrouw is, en N 6= 1, dan werkt
N transitief op S.
Stelling 2.2.12 (Stelling van Iwasawa). Zij G een groep die werkt op een
verzameling S met |S| ≥ 2, en zij s ∈ S. Veronderstel bovendien:
(a) De actie van G op S is primitief en getrouw;
(b) G is perfect, i.e. [G, G] = G;
27
(c) Gs = StabG (s) bevat een oplosbare normaaldeler U;
(d) G wordt voortgebracht door de toegevoegden van U in G.
Dan is G enkelvoudig.
Bewijs. Zij 1 6= N EG. Uit Stelling 2.2.8 weten we dat Gs ≤ G een maximale
deelgroep is. Anderzijds weten we uit Lemma 2.2.11 dat N transitief werkt
op S, zodat in het bijzonder N 6≤ Gs . Uit Gs ≤ NGs ≤ G volgt dan dat
NGs = G.
Omdat U E Gs is ook NU E NGs = G, en dus is, voor elke g ∈ G,
U g ≤ (NU)g = NU.
28
0 1
Men rekent eenvoudig na dat het element h := [ −1 0 ] de groep U toevoegt
naar V . Het volstaat dus te bewijzen dat G wordt voortgebracht door U
en V .
Zij g := [ ac db ] ∈ G willekeurig. Als b 6= 0, dan is
a b 1 0 1 b 1 0
g= = ,
c d (d − 1)/b 1 0 1 (a − 1)/b 1
en als c 6= 0, dan is
a b 1 (a − 1)/c 1 0 1 (d − 1)/c
g= = .
c d 0 1 c 1 0 1
Als b = 0 en c = 0, dan is
a 0 1 0 1 1 1 0 1 −a−1
g= = .
0 a−1 (1 − a)/a 1 0 1 a − 1 1 0 1
Dit bewijst in alle gevallen dat g ∈ hU, V i. Dus G = hU h | h ∈ Gi.
Lemma 2.2.14. Als |k| ≥ 4, dan is de groep G = PSL2 (k) perfect.
29
2.3 De classificatie van de eindige enkelvou-
dige groepen
In 1892 bewees Otto Hölder dat elke niet-abelse eindige enkelvoudige groep
een orde heeft die deelbaar is door ten minste vier (niet noodzakelijk ver-
schillende) priemgetallen. Daarbij stelde hij openlijk de vraag of er een clas-
sificatie mogelijk zou zijn van alle eindige enkelvoudige groepen.
Het eerste belangrijke positieve resultaat in die richting kwam van Burn-
side, die in 1899 een classificatie kon geven van alle eindige enkelvoudige
groepen waarvoor de centralisator van elke involutie een niet-triviale elemen-
tair abelse 2-groep is. Vanaf toen reeds werd duidelijk dat de structuur van
de centralisatoren van involuties een cruciale rol speelt in het begrijpen van
eindige enkelvoudige groepen.
Nadien werden uiteraard tal van belangrijke resultaten bewezen die on-
getwijfeld een rol hebben gespeeld in het classificatieprogramma (waaronder
de stelling van Feit en Thompson die we reeds eerder vermeld hebben), maar
het echte startschot werd gegeven in 1972, toen Daniel Gorenstein een 16-
stappenplan had uitgewerkt voor de classificatie. Gorenstein had een onge-
looflijk sterk inzicht in dit —toen hopeloos uitziende— probleem, want de
uiteindelijke classificatie blijkt dit 16-stappenplan zeer dicht te volgen. Dit
is bewonderenswaardig, temeer daar op dat moment nog niet alle eindige en-
kelvoudige groepen waren ontdekt! (De laatste sporadische groep is de Janko
groep J4 , die in 1976 werd ontdekt.)
Sinds 2004 is het eerste-generatie-bewijs van de classificatie helemaal vol-
tooid. Het geheel is echter verspreid over honderden artikels, met een totaal
van tienduizenden bladzijden.
Er is dus nog steeds werk aan de gang om alles op een overzichtelijke
manier neer te schrijven. Het totaal aantal pagina’s van het zogenaamde
tweede-generatie-bewijs wordt op ongeveer 5000 geschat, en zal over 11 boe-
ken verspreid worden. De eerste 9 hiervan zijn reeds verschenen (Daniel
Gorenstein, Richard Lyons en Ron Solomon, 1994, 1996, 1998, 1999, 2002,
2005, 2018a, 2018b, 2021).
We hebben reeds een aantal klassen van enkelvoudige groepen ontmoet:
de cyclische groepen van priemorde, de alternerende groepen, en de projec-
tieve speciale lineaire groepen.
Behalve deze zijn er nog een vijftal klassen van eindige enkelvoudige groe-
pen die te vinden zijn als deelgroep van PGLn (q), voor oneindig veel waarden
van n en voor alle priemmachten q, en een tiental klassen van eindige enkel-
voudige groepen die betrekking hebben op PGLn (q) voor een bepaalde n en
30
variërende q. Deze groepen worden de Chevalleygroepen en de verdraaide of
getwiste Chevalleygroepen genoemd. Ten slotte zijn er precies 26 sporadische
gevallen die thuishoren in geen enkele van al deze oneindige klassen, maar
die soms per drie à vier samengenomen zelf een kleine klasse vormen. Deze
laatste staan bekend onder de naam sporadische groepen. De classificatie kan
dus héél bondig als volgt worden samengevat.
Stelling 2.3.1. Zij G een eindige enkelvoudige groep. Dan is G isomorf met
ten minste één van de volgende:
(a) een cyclische groep van priemorde;
(b) een alternerende groep An ;
(c) een enkelvoudige groep van Lie-type, onderverdeeld in
• de klassieke groepen van Lie-type, met name de enkelvoudige groe-
pen gerelateerd aan de speciale lineaire, unitaire, symplectische of
orthogonale groepen over een eindig veld (type An , Bn , Cn , Dn );
• de exceptionele groepen van Lie-type (G2 , F4 , E6 , E7 , E8 );
• de getwiste groepen van Lie-type ( 2An , 2Dn , 2E6 , 3D4 , 2B2 , 2 G2 , 2F4 );
(d) één van de 26 sporadische enkelvoudige groepen.
808 017 424 794 512 875 886 459 904 961 710 757 005 754 368 000 000 000
≈ 8 · 1053 .
31
Rudvalis, de O’Nan, en de Lyons groep. De naam van de sporadische groep
verwijst telkens naar de persoon of personen die de betreffende groep voor-
spelden of tegelijk construeerden. In vele gevallen is dit echter verschillend
van diegene die de groep effectief construeerde. Bijvoorbeeld, de Janko groe-
pen J3 en J4 werden door Janko voorspeld, maar uiteindelijk geconstrueerd
door respectievelijk Higman, McKay, en Norton, Parker, Benson, Conway,
Thackray. De Rudvalis groep werd door Conway en Wales geconstrueerd, en
de O’Nan groep door Sims, evenals de Lyons groep.
Sporadische groepen die naar voor komen als compositiefactor van de
centralisator van een bepaald element van M worden soms genoteerd door
Fn , waarbij n een symbool is dat het betreffende element aangeeft, waarin
meestal de orde van het element vervat zit. Bijvoorbeeld, trivialerwijs is
M = F1 , omdat M de centralisator is van het eenheidselement in M, en dit
heeft orde 1. Zo heeft men nog de groepen F2+ , F3|3 , F5+ , F7+ , F2− en F3+ .
Deze worden normaal genoteerd naar hun voorspeller (op uitzondering van
de eerste), respectievelijk als B (het Babymonster, voorspeld door Fischer en
geconstrueerd door Sims en Leon), Th (Thompson groep, geconstrueerd door
Smith), HN (Harada–Norton groep, geconstrueerd door Smith), He (Held
groep, geconstrueerd door Higman en McKay), Co1 (de eerste Conway groep,
of Conway’s ‘dot one’, geconstrueerd door Conway en Leech), en Fi′24 (een
Fischer groep).
De andere acht sporadische groepen zijn allemaal quotiëntgroepen van
deelgroepen van het Monster, maar werden niet op die manier voor het eerst
geconstrueerd. Het betreft de Hall–Janko groep J2 = HJ, de Suzuki groep
Suz, de Higman–Sims groep HS, de McLaughlin groep McL, de Conway
groepen Co2 en Co3 (respectievelijk ook ‘dot two’ en ‘dot three’) en de Fi-
scher groepen Fi22 en Fi23 . Deze laatste worden ook soms als M(22) en
M(23) genoteerd.
We verwijzen de geı̈nteresseerde lezer naar de Wikipedia-pagina
32
Naam Groep Orde
Mathieu M11 24 .32 .5.11
Mathieu M12 26 .33 .7.11
Mathieu M22 27 .32 .5.7.11
Mathieu M23 27 .32 .5.7.11.23
Mathieu M24 210 .33 .5.7.11.23
Janko J1 23 .3.5.7.11.19
Hall–Janko J2 27 .33 .52 .7
Janko J3 27 .35 .5.17.19
Janko J4 221 .33 .5.7.113 .23.29.31.37.43
Conway Co1 221 .39 .54 .72 .11.13.23
Conway Co2 218 .36 .53 .7.11.23
Conway Co3 210 .37 .53 .7.11.23
Fischer Fi22 217 .39 .52 .7.11.13
Fischer Fi23 218 .313 .52 .7.11.13.17.23
Fischer Fi24 221 .316 .52 .73 .11.13.17.23.29
Higman–Sims HS 29 .32 .53 .7.11
MacLaughlin McL 27 .36 .53 .7.11
Suzuki Suz 213 .37 .52 .7.11.13
Lyons Ly 28 .37 .56 .7.11.31.37.67
Held He 210 .33 .52 .73 .17
Rudvalis Ru 214 .33 .53 .7.13.29
O’Nan O′ N 29 .34 .5.73 .11.19.31
Thompson Th 215 .310 .53 .72 .13.19.31
Harada–Norton HN 214 .36 .56 .7.11.19
Baby Monster B 241 .313 .56 .72 .11.13.17.19.23.31.47
Monster M 246 .320 .59 .76 .112 .133 .17.19.23.29.31.41.47.59.71
33
Hoofdstuk
3 Velduitbreidingen
Een belangrijk deel van de theorie van de velden behandelt paren van velden
F ≤ K, het ene bevat in het andere. In tegenstelling tot de groepentheorie,
waar de deelgroepen van een gegeven groep een belangrijke rol spelen, zullen
we hier typisch het veld K als een uitbreiding van F beschouwen; het veld F
wordt dus beschouwd als het “basisveld” of “grondveld”, en K wordt in
verband gebracht met F .
35
Definitie 3.1.2. Zij F een veld, en K/F een velduitbreiding. Een element
α ∈ K wordt algebraı̈sch genoemd, als het de wortel is van een niet-nul
polynoom met coëfficiënten in F . Een element dat niet algebraı̈sch is, noemen
we transcendent.
Omdat F een veld is, geldt dat α ∈ K algebraı̈sch is als er een monisch
polynoom xn + an−1 xn−1 + · · · + a1 x + a0 bestaat waarvan α een wortel is.
Opmerking 3.1.3. Het algebraı̈sch zijn van een element α ∈ K hangt uiter-
aard af van het basisveld F . Zo is het complexe getal 2πi algebraı̈sch over R,
maar transcendent over Q. Merk ook op dat elk element α ∈ K algebraı̈sch
is over K zelf, omdat het daar de wortel is van het polynoom x − α.
Lemma 3.1.4. Zij F een veld, K/F een velduitbreiding, en α ∈ K. Be-
schouw het substitutiemorfisme3
Φ : F [x] → K : f (x) 7→ f (α).
Dan geldt:
(i) Het element α is transcendent over F als en slechts als Φ injectief is.
(ii) Als α algebraı̈sch is, dan is er een uniek monisch irreducibel polynoom
f ∈ F [x] zodat ker(Φ) = (f ).
Bewijs. Veronderstel eerst dat α transcendent is. Dan is er geen enkel niet-
nul polynoom f ∈ F [x] waarvoor f (α) = 0, en dus is ker(Φ) = 0.
Veronderstel nu dat α algebraı̈sch is; dan bestaat er een polynoom p ∈
F [x] waarvoor p(α) = 0, en bijgevolg is ker(Φ) 6= 0. Omdat ker(Φ) een
ideaal is in het hoofdideaaldomein F [x], kunnen we ker(Φ) = (f ) schrijven
voor een niet-nul monisch polynoom f ∈ F [x]. Als f reducibel zou zijn, stel
f = gh, dan zou g(α)h(α) = 0, en omdat K een veld is zou hieruit volgen
dat g ∈ ker(Φ) of h ∈ ker(Φ), strijdig. Dus f is irreducibel; het is bijgevolg
het unieke monisch irreducibel polynoom in ker(Φ).
Definitie 3.1.5. Zij F een veld, K/F een velduitbreiding, en α ∈ K een
algebraı̈sch element. Het uniek monisch irreducibel polynoom f ∈ F [x] zodat
ker(Φ) = (f ), noemen we het minimaalpolynoom voor α over F . We noteren
het kortweg als f = minF (α).
Opmerking 3.1.6. Als f ∈ F [x] een irreducibel monisch polynoom is,
dan geldt voor elke wortel α van f (in een velduitbreiding van F ) dat
f = minF (α). Deze observatie volgt trivialerwijze uit de definitie, maar
zal heel vaak van pas komen.
3
Zie “Algebra I”. Het morfisme Φ is het unieke ringmorfisme van F [x] naar K dat een
uitbreiding is van de inclusie ι : F ֒→ K en voldoet aan Φ(x) = α.
36
Definitie 3.1.7. Zij F een veld, zij K/F een velduitbreiding en zij Ω ⊆ K.
(i) Het kleinste deelveld van K dat F en Ω bevat, noteren we als F (Ω).
(ii) De kleinste deelring van K die F en Ω bevat, noteren we als F [Ω].
Als Ω = {α1 , . . . , αn }, dan gebruiken we ook de notaties F (α1 , . . . , αn ) en
F [α1 , . . . , αn ].
ad = bc .
Uit het feit dat R een domein is leiden we eenvoudig af dat deze relatie
inderdaad een equivalentierelatie is (doe dit zelf als oefening). We definiëren
nu Frac(R) als de verzameling van de equivalentieklassen van deze relatie
op de breuken in R. We leggen een optelling en een vermenigvuldiging op
Frac(R) op de gebruikelijke manier:
a c ad + bc a c ac
+ := , · := .
b d bd b d bd
Men gaat eenvoudig na dat deze bewerkingen goed gedefinieerd zijn, en dat
Frac(R) hiermee de structuur van een veld krijgt. (Ga zelf de details na.)
Ten slotte stellen we vast dat R ingebed kan worden in Frac(R) via het
monomorfisme ι : R → Frac(R) : a 7→ a/1.
We tonen nu aan dat Frac(R) het kleinste veld is met deze eigenschappen.
Zij dus F een ander veld waarvoor er een ringmonomorfisme κ : R → F is.
37
Dan definiëren we een afbeelding
a
λ : Frac(R) → F : 7→ κ(a)κ(b)−1 .
b
Het is niet moeilijk om na te gaan dat λ opnieuw een ringmorfisme is. Aan-
gezien ker(λ) een ideaal moet zijn, maar Frac(R) een veld is, moet λ nood-
zakelijkerwijze een monomorfisme zijn, en dus is Frac(R) isomorf met een
deelveld van F .
Frac(R) = Q[i] = {a + bi | a, b ∈ Q} .
Gevolg 3.1.10. Zij F een veld, zij K/F een velduitbreiding en zij Ω ⊆ K.
Dan is F (Ω) = Frac(F [Ω]).
38
Stelling 3.1.13. Zij F een veld, K/F een velduitbreiding, en α ∈ K een
algebraı̈sch element. Zij f = minF (α). De afbeelding
Bewijs. Het feit dat Φ een isomorfisme is, volgt onmiddellijk uit de eerste
isomorfiestelling, samen met het feit dat ker(Φ) = (f ) waarbij f = minF (α).
Omdat f irreducibel is over F , is (f ) een maximaal ideaal in F [x], en bijgevolg
is F [x]/(f ) een veld. De rest is nu duidelijk.
Lemma 3.1.14. Zij F een veld, K/F een velduitbreiding, en α ∈ K een alge-
braı̈sch element. Zij f = minF (α), en stel deg(f ) = n. Dan is (1, α, . . . , αn−1)
een basis voor F [α] beschouwd als vectorruimte over F .
Bewijs. We tonen eerst aan dat (1, α, . . . , αn−1 ) een voortbrengende verza-
meling is. Stel dus f = xn + an−1 xn−1 + · · · + a1 x + a0 met ai ∈ F , zij
g ∈ F [α] willekeurig, en stel g = bk αk + · · · + b1 α + b0 met bi ∈ F . In F [α]
geldt f (α) = 0, en dus
αn = −an−1 αn−1 − · · · − a1 α − a0 .
a0 + a1 α + · · · + an−1 αn−1 = 0 .
Deze voorwaarde
√ is zeker niet voldoende; zo is bijvoorbeeld Q(i) niet
isomorf met Q( 2), hoewel beide elementen een irreducibel polynoom van
39
graad 2 hebben. Anderzijds kan het wel gebeuren dat verschillende polyno-
men isomorfe velden geven. Bijvoorbeeld, als α een wortel is van x3 − x + 1
in C, dan is β = α2 een wortel van x3 − 2x2 + x − 1, en de velden Q(α) en
Q(β) zijn gelijk.
Wat we wel gemakkelijk kunnen beschrijven, zijn de omstandigheden
waarin er een isomorfisme is van F (α) naar F (β) dat F fixeert en tege-
lijk α op β afbeeldt. De volgende stelling is van fundamenteel belang voor
het begrijpen van velduitbreidingen.
Stelling 3.1.15. Zij F een veld, en zij K/F en L/F twee velduitbreidingen.
Zij α ∈ K en β ∈ L algebraı̈sche elementen. Dan is er een F -isomorfisme
σ : F (α) → F (β)
dat α op β afbeeldt, als en slechts als minF (α) = minF (β).
Bewijs. Veronderstel eerst dat f het minimaalpolynoom is voor zowel α als β.
Dan volgt uit Stelling 3.1.13 dat er isomorfismen
Φα : F [x]/(f ) → F [α] : g + (f ) 7→ g(α) en
Φβ : F [x]/(f ) → F [β] : g + (f ) 7→ g(β)
−1
zijn, en de samenstelling σ = Φβ ◦ Φα voldoet aan de gestelde voorwaarden.
Omgekeerd, zij σ zoals vooropgegeven. Dan geldt voor elke f ∈ F [x] dat
σ(f (α)) = f (β), en in het bijzonder is f (α) = 0 als en slechts als f (β) = 0.
Bijgevolg hebben α en β hetzelfde minimaalpolynoom.
√
Voorbeeld 3.1.16. Het polynoom x3 −2 is irreducibel over Q. Zij α = 2 de 3
40
zodat de restrictie σ|F gelijk is aan θ en zodat σ(α) = β, als en
slechts als minF (α) door θ wordt afgebeeld 4 op minF ′ (β).
Het bewijs hiervan is volledig analoog aan het bewijs van Stelling 3.1.15 (werk
zelf de details uit als oefening).
41
[L : F ] = mn. Merk op dat deze redenering ook geldt als m of n oneindig
is.
Gevolg 3.2.5. Zij F een veld, en K/F een velduitbreiding van graad n < ∞.
Dan is elke α ∈ K algebraı̈sch over F , en deg(α) | n.
Bewijs. Dit volgt onmiddellijk door Stelling 3.2.4 toe te passen op de toren
F ≤ F (α) ≤ K.
Lemma 3.2.7. Zij F een veld, en K/F een velduitbreiding. Veronderstel dat
α1 , . . . , αn ∈ K algebraı̈sche elementen zijn over F . Dan is F (α1 , . . . , αn )/F
een eindige velduitbreiding.
Voor elke i is het element αi+1 algebraı̈sch over F (α1 , . . . , αi ) omdat het
algebraı̈sch is over F . Wegens Opmerking 3.2.3 is dan elke uitbreiding tussen
twee opeenvolgende velden in de toren eindig, en uit Stelling 3.2.4 volgt dat
ook [F (α1 , . . . , αn ) : F ] eindig is.
42
Bewijs. Zij α, β ∈ K willekeurige elementen die algebraı̈sch zijn over F .
Uit Lemma 3.2.7 weten we dat F (α, β)/F een eindige velduitbreiding is, en
Wegens Gevolg 3.2.5 zijn dan alle elementen van F (α, β) algebraı̈sch over F .
Hieruit volgt in het bijzonder dat de elementen α + β, αβ, −α en α−1 (als
α 6= 0) algebraı̈sch zijn over F .
Definitie 3.2.10. Zij F een veld, en K/F een velduitbreiding. Als alle
elementen van K algebraı̈sch zijn over F , dan noemen we K/F een algebra-
ische uitbreiding, en we zeggen ook nog dat K algebraı̈sch is over F .
Merk op dat wegens Gevolg 3.2.5 een eindige velduitbreiding steeds al-
gebraı̈sch is, maar het omgekeerde is niet waar. Beschouw bijvoorbeeld de
(niet-algebraı̈sche) velduitbreiding C/Q. Het deelveld van C bestaande uit
alle elementen die algebraı̈sch zijn over Q (zie Stelling 3.2.8) is een algebra-
ische uitbreiding van Q die niet eindig is.
αn + cn−1 αn−1 + · · · + c1 α + c0 = 0 ,
43
3.3 Splijtvelden
Definitie 3.3.1. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x]. We
zeggen dat f splijt over F (of gespleten is over F ) als elke irreducibele deler
van f graad 1 heeft. (In het bijzonder splijt elk niet-nul constant polynoom.)
Anders gezegd, f splijt over F als het de vorm
deg(f )
Y
f (x) = β (x − αi )
i=1
Voorbeeld 3.3.2. Het polynoom x4 − 1 splijt niet over Q, omdat het een
irreducibele factor x2 + 1 heeft van graad 2. Ditzelfde polynoom splijt wel
over C, aangezien het factoriseert in lineaire factoren als
In feite is elk niet-nul polynoom in C[x] gespleten. Dit feit, dat gekend
staat als de grondstelling van de algebra, zullen we bewijzen in Gevolg 4.10.3
verderop.
Als een polynoom niet splijt, kunnen we trachten het veld uit te breiden,
om op die manier het polynoom te doen splijten. Dit brengt ons tot het
concept van een splijtveld.
Definitie 3.3.3. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x] van
graad n. Een splijtveld van f over F is een velduitbreiding K van F zodat
f splijt over K, stel
Yn
f (x) = β (x − αi ),
i=1
K = F (α1 , . . . , αn ).
(Deze laatste voorwaarde drukt in feite uit dat K een minimale velduitbrei-
ding is waarover f splijt.)
Opmerking 3.3.4. Merk op dat een splijtveld E van een polynoom f over F
dus steeds een uitbreiding is van eindige graad over F , en in het bijzonder
dus steeds een algebraı̈sche velduitbreiding is van F .
44
We zullen dadelijk aantonen dat elk niet-nul polynoom f een splijtveld
heeft. Omwille van de volgende eenvoudige observatie zal het volstaan om
aan te tonen dat we een velduitbreiding vinden waarover f splijt.
Lemma 3.3.5. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x]. Zij
verder L/F een velduitbreiding zodat f splijt over L. Dan bevat L een uniek
splijtveld E voor f over F .
Bewijs. Stel n = deg f . Omdat f splijt over L is
n
Y
f (x) = β (x − αi ),
i=1
45
Lemma 3.3.9. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x]. Zij
E een splijtveld van f over F , en zij θ : F → M een (ring)morfisme 5 van
velden. Dan breidt θ uit tot een morfisme E → M als en slechts als θ(f )
splijt over M.
Stelling 3.3.10. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x]. Ver-
onderstel dat E en M twee splijtvelden zijn voor f over F . Dan zijn E en
M F -isomorf.
We vermelden nog een ander gevolg van Lemma 3.3.9, dat aantoont dat
velduitbreidingen die optreden als splijtveld van een polynoom bijzondere
5
Merk nogmaals op dat een ringmorfisme tussen velden steeds injectief is.
46
eigenschappen hebben. We zullen dit fenomeen later dieper bestuderen; zie
bijvoorbeeld Stelling 4.2.4.
Gevolg 3.3.11. Zij F een veld, en f een niet-nul polynoom in F [x]. Zij E
een splijtveld van f over F , en zij F ≤ K ≤ E. Dan breidt elk F -morfisme
θ : K → E uit tot een F -automorfisme van E.
Bewijs. Door Lemma 3.3.9 toe te passen met M = E en K in plaats van F ,
volgt reeds dat θ uitbreidt tot een endomorfisme σ : E → E. Aangezien
[E : F ] eindig is, zal het injectief F -morfisme σ een F -automorfisme zijn.
Voor het vervolg zal het ook zinvol zijn om controle te hebben over meer-
voudige wortels van een polynoom.
Lemma 3.3.12. Zij F een veld, f ∈ F [x], en α ∈ F een wortel van f . Dan
is α een meervoudige wortel, hetgeen wil zeggen dat (x−α)2 | f , als en slechts
als f (α) = f ′ (α) = 0, waarbij f ′ de (formele) afgeleide van f is.
Bewijs. Als α een wortel is van f , dan is f (x) = (x − α)g(x) voor een zekere
g ∈ F [x]; α is een meervoudige wortel van f als en slechts als α een wortel
is van g. Uit de productregel voor afleiden volgt
f ′ (x) = (x − α)g ′ (x) + g(x) ;
door x = α te stellen zien we dat f ′ (α) = 0 als en slechts als g(α) = 0.
47
Lemma 3.4.2. Zij E/F een algebraı̈sche velduitbreiding. Dan zijn de vol-
gende uitspraken equivalent:
(a) E is algebraı̈sch gesloten;
(b) E is een algebraı̈sche sluiting van F ;
(c) er bestaat geen algebraı̈sche velduitbreiding L/F met E L;
(d) er bestaat geen algebraı̈sche velduitbreiding L/E met L 6= E.
Bewijs. (a) ⇒ (b). Dit is evident, want als elk niet-nul polynoom f ∈ E[x]
splijt over E, dan splijt ook elk niet-nul polynoom f ∈ F [x] over E.
(b) ⇒ (c). Zij L/F een algebraı̈sche velduitbreiding met E ≤ L; we moeten
bewijzen dat L = E. Zij dus α ∈ L willekeurig. Per veronderstelling
is α algebraı̈sch over F ; beschouw dus f = minF (α). Omdat E een
algebraı̈sche sluiting is van F zal f splijten over E, en dus is α ∈ E.
Dus L = E.
(c) ⇒ (d). Zij L/E een algebraı̈sche velduitbreiding; we moeten bewijzen
dat L = E. Omdat ook E/F een algebraı̈sche velduitbreiding is, volgt
echter uit Stelling 3.2.11 dat ook L/F een algebraı̈sche velduitbreiding
is, met E ≤ L, en per veronderstelling moet dan L = E.
(d) ⇒ (a). Zij f een willekeurig niet-nul polynoom in E[x], en zij L/E een
splijtveld voor f over E. Dan is L/E een algebraı̈sche velduitbreiding,
zodat per veronderstelling L = E. Dus f splijt over E, en omdat f
willekeurig was besluiten we dat E algebraı̈sch gesloten is.
E = {α ∈ L | α is algebraı̈sch over F }.
Bewijs. Wegens Stelling 3.2.8 is E een veld, en uiteraard is E/F dan een
algebraı̈sche velduitbreiding. Als f ∈ F [x] een willekeurig niet-nul polynoom
is, dan splijt f over L, en dus bevat L een splijtveld K voor f over F (zie
Lemma 3.3.5). Maar dan is K ≤ E, en dus splijt f ook over E. Aangezien
f willekeurig was, toont dit aan dat E een algebraı̈sche sluiting is van F .
Veronderstel nu dat E ′ ≤ L ook een algebraı̈sche sluiting is van F . Dan
is uiteraard elk element van E ′ algebraı̈sch over F , en dus E ′ ≤ E. Maar
dan is E/E ′ een algebraı̈sche velduitbreiding, en uit Lemma 3.4.2 volgt dan
dat E = E ′ .
48
Voorbeeld 3.4.4. Beschouw de velduitbreiding C/Q. Het veld C is algebra-
isch gesloten (zie Gevolg 4.10.3). Het deelveld van C bestaande uit alle
elementen van C die algebraı̈sch zijn over Q, wordt genoteerd als Q, en
wordt het veld van de algebraı̈sche getallen genoemd. Dit veld is het kleinste
algebraı̈sch gesloten veld van karakteristiek 0. Merk op dat Q veel kleiner is
dan C, want C is overaftelbaar terwijl Q aftelbaar is.
Een ander eenvoudig criterium is het volgende.
Stelling 3.4.5. Zij E een veld met de eigenschap dat elk polynoom f ∈ E[x]
met deg(f ) ≥ 1 ten minste 1 wortel heeft in E. Dan is E algebraı̈sch gesloten.
Bewijs. Zij 0 6= f ∈ E[x]. We moeten bewijzen dat f splijt, en dus beschou-
wen we een willekeurige irreducibele factor g van f in E[x], en we tonen aan
dat deg(g) = 1. Inderdaad, per veronderstelling heeft g een wortel α ∈ E, en
dus is (x − α) | g(x) in E[x]. Omdat g irreducibel is, volgt hieruit echter dat
g een scalair veelvoud is van (x − α), en dus dat deg(g) = 1, wat we moesten
bewijzen.
Met het oog op het sterke verband tussen algebraı̈sch gesloten velden en
algebraı̈sche sluitingen kunnen we ons afvragen of voorgaande stelling zich
laat veralgemenen tot algebraı̈sche sluitingen. Dit blijkt te kloppen, maar het
bewijs van deze uitspraak is verrassend moeilijk en vereist het nodige inzicht
in de theorie van separabele en inseparable velduitbreidingen (zie later).
Stelling 3.4.6. Zij E/F een algebraı̈sche velduitbreiding met de eigenschap
dat elk polynoom f ∈ F [x] met deg(f ) ≥ 1 ten minste 1 wortel heeft in E.
Dan is E een algebraı̈sche sluiting van F .
Bewijs. Zie Stelling 4.8.19 verderop (p. 89).
We willen nu aantonen dat elk veld een algebraı̈sche sluiting heeft. Niet
geheel verwonderlijk hangt deze uitspraak af van het keuze-axioma, of equiva-
lent, van het lemma van Zorn. We zullen een constructie geven die terugvalt
op het bestaan van maximale idealen in commutatieve ringen, een feit dat
we in de cursus “Algebra I” hebben aangetoond (met behulp van het lemma
van Zorn!).
Stelling 3.4.7. Zij F een willekeurig veld. Dan bestaat er een algebraı̈sche
sluiting van F .
Bewijs. Beschouw de verzameling S bestaande uit alle polynomen f ∈ F [x]
met deg(f ) ≥ 1. Zij R de polynomenring
R = F Xf | f ∈ S ,
49
i.e. een polynomenring met één variabele voor elk element in S. Beschouw
het ideaal I van R voortgebracht door de polynomen f (Xf ), i.e.
I = f (Xf ) | f ∈ S .
Dan is I een echt ideaal. Inderdaad, veronderstel dat 1 ∈ I zou zijn; dan
bestaan er f1 , . . . , fn ∈ S en veeltermen g1 , . . . , gn ∈ R zodat
Opmerking 3.4.8. Uit Stelling 3.4.6 volgt dat in het voorgaand bewijs in
feite reeds E1 zelf een algebraı̈sche sluiting van F bevat. Inderdaad, stel
E = {α ∈ E1 | α is algebraı̈sch over F }; dan is E/F een algebraı̈sche veld-
uitbreiding (zie Stelling 3.2.8). Ook heeft, per constructie, elk polynoom van
graad ten minste 1 een wortel in E1 , maar een dergelijke wortel is uiteraard
algebraı̈sch over F en dus bevat in E. Uit Stelling 3.4.6 toegepast op de
uitbreiding E/F volgt dan dat E/F een algebraı̈sche sluiting is van F .
Verrassender is het feit dat ook het bewijs van de uniciteit van algebra-
ische sluitingen gebruik maakt van het lemma van Zorn.
50
Bewijs. Zij Ω de verzameling van alle paren (M, θ) waarbij M een veld is
met F ≤ M ≤ E en waarbij θ : M → L een F -monomorfisme is. Definieer
een orderelatie op Ω als volgt:
(M, θ) (M ′ , θ′ ) ⇐⇒ M ≤ M ′ en θ|M
′
= θ.
Lemma 3.5.1. Zij K een eindig veld. Dan is K een velduitbreiding van Fp
voor een zeker priemgetal p. In het bijzonder heeft K juist pr elementen,
voor een zeker natuurlijk getal r ≥ 1.
51
het unieke veld met p elementen. We zien dus dat K een velduitbreiding
is van Fp , en omdat K zelf ook eindig is, is deze uitbreiding eindig. In het
bijzonder is K een vectorruimte over Fp van dimensie r, waarbij r = [K : Fp ],
en het veld K heeft dus pr elementen.
Stelling 3.5.2. Zij K een eindig veld met q = pr elementen. Dan zijn de
elementen van K precies de wortels van het polynoom xq − x ∈ K[x]. Dit
polynoom heeft q verschillende wortels, en factoriseert volledig in K[x].
K× ∼
= Cd1 × · · · × Cdk .
Omdat elke di een deler is van dk , voldoet elk element van K × aan de ver-
gelijking xdk − 1 = 0. Echter, dit polynoom heeft ten hoogste dk wortels in
het veld K, en dus is |K × | = d1 · · · dk ≤ dk . Dit kan enkel als |K × | = dk en
k = 1, en dus is K × cyclisch.
Opmerking 3.5.4. Dezelfde redenering toont ook aan dat elke eindige deel-
groep van de multiplicatieve groep van een willekeurig veld cyclisch is. Deze
uitspraak is niet langer geldig voor willekeurige deelgroepen van de multipli-
catieve groep; zo is bijvoorbeeld Q× niet cyclisch.
Sterker nog: als K een willekeurig oneindig veld is, dan kan men aantonen
dat K × een abelse groep is die niet eindig voortgebracht is (en dus in zeer
sterke mate niet-cyclisch is!).
52
Definitie 3.5.5. Zij K een eindig veld. Een voortbrenger van de cyclische
groep K × wordt een primitief element van K genoemd.
Lemma 3.5.7 (Freshman’s dream). Zij F een veld met char(F ) = p > 0, en
stel q = pr . Dan geldt de gelijkheid (x + y)q = xq + y q in de polynomenring
F [x, y].
L := {α ∈ K | f (α) = 0} = {α ∈ K | αq = α} .
53
We tonen ten slotte aan dat L een deelveld is van K. Stel dus α, β ∈ L
willekeurig, dus αq = α en β q = β. We moeten aantonen dat de elementen
α + β, αβ, −α en α−1 (als α 6= 0) eveneens tot L behoren. Dit is evident
voor αβ en voor α−1 . Voor −α volgt dit uit het feit dat (−1)q = −1 in K.
Voor α + β ten slotte is dit precies Lemma 3.5.7. We besluiten dat L het
gezochte veld van orde q is.
Bewijs. Stel s = r/k ∈ Z>0 . We zullen twee maal gebruik maken van de
identiteit
y d − 1 = (y − 1)(y d−1 + · · · + y + 1) .
We stellen eerst y = q ′ en d = s om te besluiten dat q ′ − 1 | q − 1. Vervolgens
′
gebruiken we de identiteit opnieuw met y = xq −1 en d = (q − 1)/(q ′ − 1) ∈ Z,
′
en we concluderen dat xq −1 − 1 | xq−1 − 1.
54
Stelling 3.5.12. Zij p een priemgetal, r ∈ Z>0 , q = pr , en zij K = Fq . Dan
bevat K een deelveld van orde q ′ = pk als en slechts als k | r.
Bewijs. Als k ∤ r, dan is q = pr geen macht van q ′ = pk , en dus kan het veld
K = Fq onmogelijk een velduitbreiding zijn van het veld Fq′ . Omgekeerd, als
′ ′
k | r, dan volgt uit Lemma 3.5.11 dat xq − x | xq − x. Het polynoom xq − x
heeft dus al zijn wortels in het veld K van orde q. Stel nu
′
L := {α ∈ K | αq − α = 0} .
Dan tonen we precies zoals in het bewijs van Stelling 3.5.8 aan dat |L| = q ′ ,
en dat L een deelveld is van K. Dit bewijst de stelling.
Frob: Fq → Fq : a 7→ ap .
Uit Lemma 3.5.7 volgt dat Frob een morfisme is; we noemen deze afbeelding
het Frobeniusmorfisme, het Frobeniusendomorfisme, of kortweg de Frobenius.
(Zie ook Definitie 4.8.1 verderop, waar we dit bestuderen voor willekeurige
velden van karakteristiek p.)
Het is eenvoudig om na te gaan dat Frob injectief is, en omdat Fq eindig
is, volgt hieruit dat het dan bijectief is. Het is dus een automorfisme6 : het
Frobeniusautomorfisme.
We kunnen dit Frobeniusautomorfisme herhaaldelijk toepassen, en we
krijgen dus voor elke n ≥ 0 een automorfisme
n
Frobn : Fq → Fq : a 7→ ap .
Bewijs. Omdat Frobr = id, heeft Frob orde d voor een zekere d | r. Dan is
d d
αp = α voor alle α ∈ Fq , zodat het polynoom xp − x ten minste q = pr
wortels heeft. Dit kan enkel als d = r.
6
We waarschuwen hier alvast dat de Frobenius voor oneindige velden van karakteris-
tiek p weliswaar nog steeds injectief is, maar niet noodzakelijk surjectief.
55
Lemma 3.5.15. Zij α een primitief element voor Fq , dus F×
q = hαi (Stel-
ling 3.5.3). Stel f := minFp (α). Dan is
2 r−1
f (x) = (x − α)(x − αp )(x − αp ) · · · (x − αp ).
Bewijs. Uit Lemma 3.5.7 volgt dat f (β p ) = f (β)p voor elke β ∈ Fq . Omdat
r−1
f (α) = 0, volgt hieruit dus dat ook f (αp ) = 0, . . . , f (αp ) = 0. Merk op dat
pr−1
het element α orde q − 1 heeft in F× p
q , dus de r elementen α, α , . . . , α zijn
twee aan twee verschillend van elkaar, en vormen dus r verschillende wortels
van f . Anderzijds is Fq ∼= Fp [x]/(f ) (zoals in het bewijs van Stelling 3.5.9),
en omdat dimFp (Fq ) = r volgt hieruit dat deg(f ) = r. Hieruit volgt het
gestelde.
7
Zie ook Stelling 4.1.14(i) verderop, waar we dit argument in een algemenere context
plaatsen.
56
Hoofdstuk
4 Galoistheorie
4.1 Inleiding
In de Galoistheorie associëren we een eindige groep, de zogenaamde Galois-
groep, met elke velduitbreiding van eindige graad. Zoals we zullen zien, zullen
we vaak in staat zijn om vragen over de velduitbreiding te beantwoorden door
deze groep te onderzoeken.
Een belangrijk voorbeeld van deze situatie, en in feite de situatie waarin
Galois zelf voornamelijk in geı̈nteresseerd was, is de volgende. Gegeven een
polynoom f ∈ Q[x]; kunnen we de oplossingen van de vergelijking f (x) = 0
in C expliciet neerschrijven? Om aan te geven wat we precies bedoelen met
“expliciet”, geven we een voorbeeld. √Beschouw√ het polynoom
√ f (x) = x3 − 2.
3 3
Dan zijn de wortels in C de waarden 2 en 2(−1± −3)/2, en deze kunnen
“expliciet” bekomen worden door enkel gebruik te maken van de elementen
van Q en de elementaire operaties optellen, aftrekken, vermenigvuldigen,
delen en n-de machtswortels nemen. We zeggen dat f “oplosbaar is in radi-
calen”. Een natuurlijke vraag is, of een dergelijke procedure mogelijk is voor
elke f ∈ Q[x].
Wat is nu het verband met velduitbreidingen en de corresponderende
Galoisgroep waarvan sprake? Gegeven een polynoom f ∈ Q[x], dan kunnen
we het splijtveld van f over Q in C beschouwen. Dit is een velduitbreiding
E/Q van eindige graad, en deze heeft een corresponderende Galoisgroep, die
we zullen noteren als Gal(E/Q). Galois heeft bewezen dat de vergelijking
f (x) = 0 oplosbaar is in radicalen als en slechts als de Galoisgroep Gal(E/Q)
een oplosbare groep is.
Zoals we later zullen zien, bestaan er polynomen van graad 5 waarvan de
geassocieerde Galoisgroep de symmetrische groep S5 is, en we weten dat deze
groep niet oplosbaar is. Hieruit volgt dan dat er geen algemene “formule”
kan bestaan om algemene polynoomvergelijkingen van graad 5 op te lossen
(waarbij we met “formule” een uitdrukking bedoelen die niks exotischer bevat
dan n-de machtswortels).
In de tijd van Galois (omstreeks 1830) waren reeds formules gekend voor
het oplossen van polynomen van graad ≤ 4, en het was dus enorm verrassend
57
dat er geen dergelijke algemene formule kan bestaan voor polynomen van
graad ≥ 5. Interessant hierbij is dat deze stelling van Galois over polynomen
van graad 5 onafhankelijk en ongeveer gelijktijdig werd bewezen door N. Abel
(naar wie de abelse groepen genoemd zijn). Het is een tragisch toeval dat
elk van beide mannen dit resultaat heeft bewezen op zeer jonge leeftijd en
dan kort daarna overleden is; Galois kwam om het leven in een dubieus duel
op 21-jarige leeftijd, en Abel werd niet ouder dan 27.
Definitie 4.1.1. Zij E/F een willekeurige velduitbreiding. De verzameling
van alle F -automorfismen van E (zie Definitie 3.1.1(iv)) vormt een groep
onder de samenstelling, die we de Galoisgroep van de velduitbreiding E/F
noemen, en noteren als Gal(E/F ).
De definitie Gal(E/F ) is zinvol in deze algemeenheid, maar we zullen in
het vervolg bijna altijd werken met velduitbreidingen van eindige graad.
Voorbeeld 4.1.2. Als voorbeeld bepalen we de groep Gal(C/R). Merk
vooreerst op dat indien σ ∈ Gal(C/R), dan
−1 = σ(−1) = σ(i2 ) = σ(i)2 ,
en dus σ(i) ∈ {i, −i}. Merk ook op dat voor alle a, b ∈ R geldt dat
σ(a + bi) = σ(a) + σ(b)σ(i) = a + bσ(i),
zodat σ volledig bepaald is door het element σ(i). Indien σ(i) = i, dan is
σ = id; indien σ(i) = −i, dan is σ(a + bi) = a − bi voor alle a, b ∈ R, i.e. σ
is de complexe toevoeging. We besluiten dat Gal(C/R) ∼ = C2 .
Opmerking 4.1.3. De oorspronkelijke definitie die Galois gebruikte was
niet dezelfde als degene die we hier gegeven hebben. Galois definieerde zijn
groepen enkel in het geval dat E het splijtveld was over F van een polynoom
f ∈ F [x], en zijn constructie hing af van het polynoom f zelf. Bovendien
bestond zijn groep niet uit veldautomorfismen, maar uit zekere permutaties
van de wortels van f . Zie ook Gevolg 4.1.15 verderop.
We hebben nu reeds een definitie die met elke velduitbreiding een groep
associeert, maar we willen ook in de andere richting kunnen gaan.
Definitie 4.1.4. Zij E een willekeurig veld, en H ≤ Aut(E) een deelgroep
van de groep van alle automorfismen van E. Dan definiëren we
Fix(H) := {α ∈ E | σ(α) = α voor alle σ ∈ H}.
Vaak schrijven we ook FixE (H) in plaats van Fix(H). Men gaat eenvoudig
na dat Fix(H) een deelveld is van E; we noemen het het fixveld van H.
58
Lemma 4.1.5. (i) Zij E/F een velduitbreiding. Dan is
FixE (Gal(E/F )) ≥ F.
(ii) Zij E een veld, en zij H een deelgroep van Aut(E). Dan is
Gal(E/ Fix(H)) ≥ H.
F := {K | F ≤ K ≤ E};
G := {H | H ≤ G}.
Definieer afbeeldingen
f : G → F : H 7→ FixE (H);
g: F → G: K → 7 Gal(E/K).
Dan geldt:
(i) g(f (H)) ≥ H en f (g(K)) ≥ K voor alle H ∈ G en alle K ∈ F ;
(ii) als H1 ≤ H2 , dan f (H1 ) ≥ f (H2 ) voor alle H1 , H2 ∈ G;
(iii) als K1 ≤ K2 , dan g(K1) ≥ g(K2 ) voor alle K1 , K2 ∈ F .
59
Voorbeeld 4.1.7. Zij V een vectorruimte, met duale ruimte V ∗ . Voor elke
deelverzameling X ⊆ V definiëren we de annihilator van X als
F0 := {K ∈ F | f (g(K)) = K};
G0 := {H ∈ G | g(f (H)) = H}.
F0 = {f (H) | H ∈ G};
G0 = {g(K) | K ∈ F }.
60
Bewijs. Het volstaat om aan te tonen dat
(Ga zelf na waarom dit volstaat!) We zullen enkel de eerste uitspraak bewij-
zen; het bewijs van de tweede uitspraak is volledig analoog. Zij dus H ∈ G
willekeurig. Wegens eigenschap (i) van een Galois-connectie is g(f (H)) ≥ H,
en door hierop eigenschap (ii) toe te passen, bekomen we f (g(f (H))) ≤
f (H). Anderzijds kunnen we eigenschap (i) toepassen op K = f (H), en
we bekomen uit f (g(K)) ≥ K dat f (g(f (H))) ≥ f (H). We besluiten dat
f (g(f (H))) = f (H).
Opmerking 4.1.11. We benadrukken nog eens dat de afbeeldingen f en
g de orderelatie omdraaien. Soms worden dergelijke Galois-connecties ook
wel antitone Galois-connecties genoemd, en definieert men op analoge wijze
monotone Galois-connecties die de orderelatie behouden in plaats van om-
draaien.
De volgende observatie benadrukt het feit dat het Galois zijn een eigen-
schap is van een velduitbreiding, niet van een veld op zich.
Lemma 4.1.13. Zij E/F een willekeurige velduitbreiding van eindige graad,
en beschouw het tussenveld K = FixE (Gal(E/F )) (dus F ≤ K ≤ E). Dan
61
is E/K een Galois-uitbreiding met Gal(E/K) = Gal(E/F ). In het bijzonder
is de triviale velduitbreiding F/F altijd Galois.
Bewijs. Zij f en g zoals in Lemma 4.1.6. Dan is Gal(E/K) = g(f (g(F ))) =
g(F ) = Gal(E/F ), en dus is FixE (Gal(E/K)) = FixE (Gal(E/F )) = K, wat
precies uitdrukt dat E/K Galois is. De laatste uitspraak volgt hieruit door
E = F te kiezen, aangezien dan noodzakelijk ook K = F .
Bewijs. (i) Zij α ∈ Ω en σ ∈ G. Dan volgt uit f (α) = 0 dat ook f (σ(α)) =
σ(f (α)) = σ(0) = 0, waarbij de eerste gelijkheid volgt omdat σ de
coëfficiënten van f fixeert. We besluiten dat σ(α) ∈ Ω.
(ii) Zij N ≤ G de kern van de actie van G op Ω; we moeten bewijzen dat
N = 1. Neem dus σ ∈ N willekeurig; dan fixeert σ alle elementen van Ω.
Uiteraard fixeert σ ∈ Gal(E/F ) ook alle elementen van F . Wegens de
assumptie dat E = F (Ω) volgt nu dat σ alle elementen van E fixeert,
m.a.w. σ = 1.
(iii) Zij α, β ∈ Ω willekeurig; we moeten een σ ∈ G vinden zodat σ(α) = β.
Aangezien f irreducibel is en zowel α als β wortels zijn van f , kunnen
we Stelling 3.1.15 toepassen, en we vinden dus een F -isomorfisme ϕ van
F [α] naar F [β] dat α op β afbeeldt. Stel nu θ : F [α] → E gelijk aan
de samenstelling van ϕ met de inclusie F [β] ֒→ E. Uit Gevolg 3.3.11
weten we nu dat θ uitbreidt tot een F -automorfisme σ : E → E. Merk
op dat inderdaad σ ∈ G, en σ(α) = θ(α) = ϕ(α) = β.
1
Als G een groep is die werkt op een verzameling S, dan zeggen we dat s ∈ S verplaatst
wordt door een g ∈ G als sg 6= s, m.a.w. als s niet gefixeerd wordt door g.
62
We zullen deze stelling vaak gebruiken in de volgende gedaante.
Gevolg 4.1.15. Zij F een veld, en f ∈ F [x] een irreducibel polynoom. Zij
E een splijtveld van f over F , en stel Ω = {α ∈ E | f (α) = 0}. Stel dan
G = Gal(E/F ). Dan werkt G transitief en getrouw op Ω.
Voorbeeld
√ 4.1.17. Beschouw het polynoom f (x) = x3 − 2 over Q. Stel
α = 2 ∈ R en ζ = e2πi/3 ∈ C. Dan is E = Q(α, ζ) een splijtveld voor f
3
Een ander gevolg van Stelling 4.1.14 is de vaststelling dat een eindige
velduitbreiding steeds een eindige Galoisgroep heeft.
Lemma 4.1.18. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad. Dan is
G = Gal(E/F ) een eindige groep.
63
is Ω eindig en E = F (Ω), zodat we Stelling 4.1.14(ii) kunnen toepassen. We
besluiten dat G getrouw werkt op een eindige verzameling Ω, zodat G isomorf
is met een deelgroep van de eindige groep Sym(Ω).
Onze volgende doelstelling is om aan te tonen (zie Stelling 4.4.2) dat een
velduitbreiding E/F van eindige graad een Galois-uitbreiding is als en slechts
als ze normaal en separabel is. Het eerste van deze begrippen bespreken we
in sectie 4.2; het tweede in sectie 4.3.
Voorbeeld 4.2.2. (1) Zij F een willekeurig veld. Dan is de triviale uitbrei-
ding F/F normaal.
(2) Als E een algebraı̈sche sluiting is van F , dan is E/F normaal.
(3) Als E/F een algebraı̈sche uitbreiding is van graad 2, dan is E/F steeds
normaal. Inderdaad, zij α ∈ E willekeurig, en zij f = minF (α). Dan
is deg(f ) ≤ 2. Als deg(f ) = 1, dan splijt f uiteraard over E. Als
deg(f ) = 2, dan kunnen we f over E ontbinden als f (x) = (x − α)g(x),
en dus moet noodzakelijk deg(g) = 1, zodat we ook in dit geval besluiten
dat f splijt over E.
(4) Een algebraı̈sche uitbreiding E/F van graad 3 is niet noodzakelijk nor-
maal. Inderdaad, beschouw het irreducibel polynoom√ f (x) = x3 − 2
3
over Q uit Voorbeeld 4.1.17, en stel opnieuw α = 2. Dan heeft f een
wortel in K = Q(α), maar splijt niet over K; dus K/F is niet normaal.
Lemma 4.2.3. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad, en zij α ∈ E.
Dan bestaat er een velduitbreiding L/E en een polynoom g ∈ F [x] zodat L
een splijtveld is voor g over F , elke irreducibele factor van g in F [x] een
wortel heeft in E, en g(α) = 0.
64
Bewijs. Kies een basis {α1 , . . . , αn } voor E over F . Stel
Dan is het reeds duidelijk dat elke irreducibele factor van g in F [x] een wortel
heeft in E, en dat g(α) = 0.
Zij nu L een splijtveld voor g over E en zij Ω de verzameling van alle
wortels van g in L. Per definitie van splijtveld is reeds L = E(Ω). Om aan te
tonen dat L ook een splijtveld is voor g over F , volstaat het nog om aan te
tonen dat L = F (Ω). Merk nu op dat α1 , . . . , αn ∈ Ω en E = F (α1 , . . . , αn ).
Hieruit volgt dat E(Ω) = F (Ω), en het resultaat volgt.
Stelling 4.2.4. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad. Dan zijn de
volgende eigenschappen equivalent:
(a) E is normaal over F .
(b) E is een splijtveld over F voor een zeker polynoom g ∈ F [x].
(c) Voor elke velduitbreiding L/E geldt dat elk F -monomorfisme van E in L
het veld E op zichzelf afbeeldt.
(d) Voor elke velduitbreiding L/E geldt dat elke σ ∈ Gal(L/F ) het veld E op
zichzelf afbeeldt.
Bewijs. (a) ⇒ (b). Wegens Lemma 4.2.3 is er een g ∈ F [x] en een splijtveld
L/E voor g over F zodat elke irreducibele factor van g een wortel
heeft in E. Omdat E/F een normale uitbreiding is, zal elk van deze
irreducibele factoren van g splijten over E, en dus splijt g zelf over E.
Maar dan is L = E, en dit toont aan dat E een splijtveld is over F
voor g ∈ F [x].
(b) ⇒ (c). Zij L/E een willekeurige velduitbreiding, en θ : E → L een wil-
lekeurig F -monomorfisme. Aangezien E een splijtveld is voor g over
F , zal θ(E) een splijtveld zijn voor θ(g) = g over θ(F ) = F . Maar
dan is zowel E als θ(E) een splijtveld voor g over F bevat in L, en uit
Lemma 3.3.5 volgt dan dat θ(E) = E.
(c) ⇒ (d). Triviaal.
(d) ⇒ (a). Zij α ∈ E willekeurig, en zij f = minF (α). We moeten bewijzen
dat f splijt over E. We gebruiken Lemma 4.2.3 om een L/E en een g ∈
F [x] te vinden zodat L een splijtveld is voor g over F en g(α) = 0. Dan
is f | g, zodat in het bijzonder f splijt over L. Uit Stelling 4.1.14(iii)
volgt nu dat voor elke wortel β van f in L er een σ ∈ Gal(L/F ) bestaat
zodat σ(α) = β. Wegens de veronderstelling echter moet σ het veld E
65
op zichzelf afbeelden, en uit α ∈ E volgt dus dat ook β ∈ E. Dit toont
aan dat alle wortels van f in L eigenlijk in E liggen, en omdat f splijt
over L, besluiten we dat f ook splijt over E.
Een belangrijk gevolg hiervan is het feit dat elke velduitbreiding van ein-
dige graad verder kan uitgebreid worden tot een normale velduitbreiding:
Gevolg 4.2.5. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad. Dan bestaat
er een velduitbreiding L/E zodanig dat L/F een normale velduitbreiding van
eindige graad is.
Lemma 4.3.2. Zij f ∈ F [x] een polynoom van graad n, en zij L een algebra-
ische sluiting van F . Dan heeft f geen meervoudige wortels als en slechts als
f precies n verschillende wortels heeft in L.
Lemma 4.3.3. Zij f ∈ F [x] een niet-nul polynoom. Dan zijn de volgende
uitspraken equivalent:
(a) f heeft geen meervoudige wortels.
66
(b) Voor elke velduitbreiding K/F en elke α ∈ K geldt dat (x − α)2 geen
deler is van f in K[x].
(c) Voor elke velduitbreiding K/F geldt dat f en f ′ geen gemeenschappelijke
wortel hebben.
(d) Er is een velduitbreiding K/F zodat f precies deg(f ) verschillende wor-
tels heeft in K.
Bewijs als oefening. (Maak voor (b) ⇔ (c) gebruik van Lemma 3.3.12.)
Lemma 4.3.4. Zij f ∈ F [x] een niet-nul polynoom, en zij K/F een velduit-
breiding. Dan heeft f geen meervoudige wortels als polynoom in F [x] als en
slechts als het geen meervoudige wortels heeft als polynoom in K[x].
Lemma 4.3.5. Zij f ∈ F [x] een polynoom dat geen meervoudige wortels
heeft. Als g | f in F [x], dan heeft ook g geen meervoudige wortels.
Merk dus op dat we niet eisen dat f zelf geen meervoudige wortels heeft.
De separabiliteit van een polynoom hangt bovendien af van het grondveld F .
Merk immers op dat als f ∈ F [x] en E een splijtveld is voor f over F , dan
f over E steeds separabel is, ook al was het inseparabel over F .
In de omgekeerde richting blijft separabiliteit wel bewaard:
Lemma 4.3.7. Zij f ∈ F [x] een niet-nul polynoom en E/F een velduitbrei-
ding. Als f separabel is over F , dan is het ook separabel over E.
Bewijs. Zij h een irreducibele factor van f in E[x]. Omwille van de unieke
factorisatie in E[x] is er een irreducibele factor g van f in F [x] zodat h | g
in E[x]. Aangezien g geen meervoudige wortels heeft, volgt uit Lemma 4.3.5
dat ook h geen meervoudige wortels heeft.
67
De “meeste” polynomen blijken separabel te zijn: zoals we later zullen
zien, bestaan inseparabele polynomen enkel over (sommige) oneindige vel-
den met positieve karakteristiek (zie Stelling 4.8.7 verderop). We geven zo
dadelijk een voorbeeld. Om de irreducibiliteit na te gaan, zullen we gebruik
maken van het criterium van Eisenstein, dat we reeds ontmoet hebben in de
cursus “Algebra I”, maar dat we hier iets algemener formuleren.
Bewijs. Volledig analoog aan het bewijs voor Z (met breukenveld Q).
f (x) = xp − y = xp − αp = (x − α)p ,
68
(ii) De velduitbreiding E/F wordt separabel genoemd als E/F algebraı̈sch
is, en elk element α ∈ E separabel is over F .
Separabiliteit blijft bewaard bij overgang naar tussenvelden, aan beide
kanten.
Lemma 4.3.11. Zij E/F een separabele velduitbreiding, en zij F ≤ K ≤ E.
Dan zijn zowel E/K als K/F separabele velduitbreidingen.
Bewijs. Het feit dat K/F separabel is, is triviaal. We bewijzen nu dat E/K
separabel is. Zij dus α ∈ E willekeurig, en zij f = minF (α); dan is f
separabel over F . Wegens Lemma 4.3.7 is f dus ook separabel over K. Zij
nu g = minK (α), en merk op dat g | f aangezien f ∈ K[x] en f (α) = 0. Dan
is g ook separabel over K, en we besluiten dat α separabel is over K.
Opmerking 4.3.12. Ook het omgekeerde van Lemma 4.3.11 geldt; zie Ge-
volg 4.8.17 op p. 89 verderop.
4.4 Galois-uitbreidingen
We komen dadelijk tot een van de belangrijke resultaten van de Galoistheorie,
met name de karakterisatie van Galois-uitbreidingen als de velduitbreidingen
van eindige graad die tegelijk normaal en separabel zijn. Het volgend lemma
is daar een cruciaal ingrediënt voor.
Lemma 4.4.1. Zij E een willekeurig veld, zij G ≤ Aut(E) een willekeurige
groep van automorfismen van E, en stel F = Fix(G). Zij α ∈ E willekeurig,
en veronderstel dat de baan van α onder G,
Λ = {σ(α) | σ ∈ G},
een eindige verzameling is. Dan geldt:
(i) α is algebraı̈sch over F ;
(ii) f := minF (α) heeft geen meervoudige wortels;
(iii) f splijt over E;
(iv) Λ is de verzameling van alle wortels van f in E;
(v) |Λ| = deg(f ).
Bewijs. Definieer het polynoom p ∈ E[x] als
Y
p(x) = (x − β).
β∈Λ
69
Aangezien elk element σ ∈ G de elementen van Λ permuteert, zal σ de
factoren van p permuteren, zodat σ(p) = p. Bijgevolg fixeert σ de coëffici-
enten van het polynoom p. Aangezien dit geldt voor alle σ ∈ G, volgt hieruit
dat p ∈ F [x], per definitie van F . Aangezien α ∈ Λ hebben we p(α) = 0,
zodat α algebraı̈sch is over F en f | p.
Wegens Stelling 4.1.14(i) is elk element van Λ een wortel van f , en dus is
deg(f ) ≥ |Λ| = deg(p). Uit f | p volgt nu dat f = p, en alle uitspraken zijn
nu bewezen.
Stelling 4.4.2. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad. Dan zijn de
volgende uitspraken equivalent:
(a) E/F is een Galois-uitbreiding.
(b) E/F is een normale separabele velduitbreiding.
(c) E is een splijtveld over F van een separabel polynoom over F .
70
Stel H = Gal(E/F (α)); dan is H ≤ G, en
Net zoals we elke eindige velduitbreiding verder kunnen uitbreiden tot een
normale uitbreiding, zo kunnen we ook elke eindige separabele velduitbreiding
verder uitbreiden tot een Galois-uitbreiding.
Lemma 4.4.5. Zij E/F een separabele velduitbreiding van eindige graad.
Dan is er een velduitbreiding L/E van eindige graad zodat L/F Galois is.
71
Bewijs. Wegens Lemma 4.2.3 bestaat er een velduitbreiding L/E en een po-
lynoom g ∈ F [x] zodat L een splijtveld is voor g over F , en zodat elke
monische irreducibele factor fi van g in F [x] een wortel heeft in E. Elke fi
is bijgevolg het minimaalpolynoom over F van een zekere αi ∈ E, en uit de
separabiliteit van E/F volgt dat fi geen meervoudige wortels heeft over F .
Bijgevolg is g separabel over F , en we besluiten dat L Galois is over F wegens
Stelling 4.4.2.
Bewijs. Veronderstel eerst dat F eindig is. Dan is ook E eindig, en wegens
Stelling 3.5.3 is E × een cyclische groep, stel E × = hαi, waaruit volgt dat
E = F [α].
We veronderstellen vanaf nu dat F oneindig is. Wegens Lemma 4.4.5
bestaat er een velduitbreiding L/E zodat L/F Galois is. Uit Gevolg 4.4.3
en Lemma 4.1.10 volgt nu dat de verzameling van tussenvelden K (met dus
F ≤ K ≤ L) in bijectief verband staat met de verzameling van gesloten
deelgroepen H van G = Gal(L/F ). Aangezien G wegens Lemma 4.1.18 een
eindige groep is, heeft G uiteraard slechts eindig veel deelgroepen, en het
vermelde bijectief verband impliceert dan dat er slechts eindig veel tussen-
velden K bestaan tussen F en L. In het bijzonder zijn er slechts eindig veel
tussenvelden tussen F en E.
We bewijzen nu per inductie op [E : F ] dat dit impliceert dat er een
primitief element α voor E/F bestaat. Indien E = F is dit triviaal; ver-
72
onderstel dus dat E 6= F , en kies een α ∈ E \ F . Dan is E ≥ F [α] > F ,
en dus [E : F [α]] < [E : F ]. Aangezien er slechts eindig veel tussenvelden
bestaan tussen F [α] en E, kunnen we de inductiehypothese toepassen, en we
besluiten hieruit dat E = F [α][β] = F [α, β] voor een zekere β ∈ E.
Definieer nu, voor elke t ∈ F , het veld
Kt = F [α + tβ].
Elke Kt is een veld gelegen tussen F en E, en aangezien F oneindig is en er
slechts eindig veel tussenvelden zijn, bestaan er noodzakelijk twee verschil-
lende elementen s, t ∈ F zodat Ks = Kt . In het bijzonder is dan
(α + sβ) − (α + tβ) ∈ Ks ,
en omdat s 6= t impliceert dit dat β ∈ Ks , wat dan op zijn beurt als gevolg
heeft dat ook α = (α + sβ) − sβ ∈ Ks . Dus
E = F [α, β] ≤ Ks = F [α + sβ] ≤ E,
en we besluiten dat E = F [α + sβ], zodat α + sβ het gezochte primitief
element voor E/F is.
Opmerking 4.5.2. In de loop van het bewijs hebben we aangetoond dat als
E/F een willekeurige velduitbreiding van eindige graad is met de eigenschap
dat E/F slechts eindig veel tussenvelden heeft, dan E = F [α] voor een zekere
α ∈ E. Ook het omgekeerde geldt: als E/F een velduitbreiding is van eindige
graad met E = F [α] voor een zekere α ∈ E, dan heeft E/F slechts eindig
veel tussenvelden. Aangezien we dit resultaat verder niet nodig hebben, laten
we het bewijs ervan achterwege.
Merk op dat we ook een soort omgekeerde van Stelling 4.5.1 kunnen
formuleren:
Lemma 4.5.3. Zij F een veld, en E = F [α] met α separabel over F . Dan
is E/F een separabele velduitbreiding.
Bewijs. Zij f = minF (α); dan is f separabel over F . Zij L een splijtveld van
f over E; dan is L ook een splijtveld van f over F , want E = F [α], en α is
een wortel van f . Uit Stelling 4.4.2 volgt dan dat L/F separabel (en zelfs
Galois) is, en dus is ook E/F separabel.
We zullen voorgaand resultaat later sterk veralgemenen; zie Stelling 4.8.16
verderop.
Er is een nauw verband tussen de graad van een velduitbreiding en de
orde van de corresponderende Galoisgroep.
73
Stelling 4.5.4. Zij E/F een velduitbreiding van eindige graad. Dan is
|Gal(E/F )| een deler van [E : F ]. Bovendien is |Gal(E/F )| = [E : F ]
als en slechts als E/F Galois is.
Bewijs. Stel G = Gal(E/F ). Veronderstel eerst dat E/F Galois is. Dan is
E/F een separabele uitbreiding van eindige graad, en Stelling 4.5.1 levert
ons een α ∈ E zodat E = F [α]. Zij f = minF (α), en merk op dat [E : F ] =
deg(f ). Zij Λ de baan van α onder de werking van de eindige groep G.
We berekenen |Λ| op twee verschillende manieren. Enerzijds gebruiken
we het feit dat E/F Galois is, waardoor F = Fix(G); uit Lemma 4.4.1 volgt
nu dat |Λ| = deg(f ). Dus |Λ| = [E : F ].
Anderzijds gebruiken we de baan-stabilisator-formule voor de actie van
G op Λ, die zegt dat |G| = |Λ| · |Gα |, waarbij Gα de stabilisator is in G
van α ∈ Λ. Echter, aangezien E = F [α] zal elk element van G dat α
fixeert, automatisch alle elementen van E fixeren, en dus is Gα = 1. Hieruit
volgt dat |Λ| = |G| = |Gal(E/F )|, en we bekomen de gezochte gelijkheid
|Gal(E/F )| = [E : F ].
We beschouwen nu het algemene geval, waarbij E/F niet noodzakelijk
Galois is. Stel nu K = Fix(G), en merk op dat G = Gal(E/K) wegens
Lemma 4.1.13. Bijgevolg is E Galois over K, en uit het eerste deel van het
bewijs volgt dat |G| = [E : K]. Hieruit volgt dat
[E : F ] = |Gal(E/F )| · [K : F ].
Aangezien E/F Galois is als en slechts als K = F , volgen hieruit de reste-
rende beweringen.
Voor het volgend resultaat beginnen we, net zoals in Lemma 4.4.1, met
een groep in plaats van met een velduitbreiding. Merk op dat we in deze
stelling a priori niet weten dat E/F een eindige uitbreiding is.
Stelling 4.5.5. Zij E een veld, zij G een eindige deelgroep van Aut(E), en
stel F = Fix(G). Dan geldt:
(i) |G| = [E : F ];
(ii) G = Gal(E/F );
(iii) E is Galois over F .
Bewijs. We bewijzen de drie uitspraken gelijktijdig. Stel α ∈ E, en zij Λ de
baan van α onder G; uiteraard is Λ eindig. Uit Lemma 4.4.1 volgt dat α
algebraı̈sch en separabel is over F , en dat f = minF (α) voldoet aan
[F [α] : F ] = deg(f ) = |Λ| ≤ |G|.
74
Aangezien de graad [F [α] : F ] voor variërende α ∈ E steeds begrensd is
door |G|, kunnen we een α ∈ E vinden die deze graad maximaliseert, i.e.
We beweren dat F [α] = E. Inderdaad, indien dit niet zo zou zijn, dan zou
er een β ∈ E bestaan met F [α, β] > F [α]. Echter, elk element van F [α, β] is
separabel over F , zodat uit Stelling 4.5.1 volgt dat F [α, β] = F [γ] voor een
zekere γ ∈ E. Maar dan zou [F [γ] : F ] > [F [α] : F ], in contradictie met de
keuze van α. Hieruit volgt dat inderdaad E = F [α], en in het bijzonder is
[E : F ] ≤ |G|.
Aangezien F = Fix(G), is G ≤ Gal(E/F ). Anderzijds weten we uit
Stelling 4.5.4 dat |Gal(E/F )| ≤ [E : F ], met gelijkheid als en slechts als
E/F Galois is. Het samenvoegen van deze ongelijkheden levert
F := {K | F ≤ K ≤ E};
G := {H | H ≤ G}.
Definieer afbeeldingen
f : G → F : H 7→ FixE (H);
g: F → G: K → 7 Gal(E/K).
Dan geldt:
(i) De afbeeldingen f en g zijn inverse bijecties tussen F en G, die de
inclusie omdraaien.
75
(ii) Als g(K) = H, dan is [E : K] = |H| en [K : F ] = [G : H]. In het
bijzonder is [E : F ] = |G|.
(iii) Als g(K) = H en σ ∈ G, dan is g(K σ ) = H σ , de toegevoegde2 van H
door σ in G.
(iv) Zij g(K) = H. Dan is H E G als en slechts als K/F Galois is, en in
dat geval geldt Gal(K/F ) ∼
= G/H.
Bewijs. (i) We weten al uit Lemma 4.1.6 dat de afbeeldingen f en g de
inclusie omdraaien, en wegens Lemma 4.1.10 induceren ze inverse bijec-
ties tussen de deelverzamelingen F0 en G0 van gesloten elementen in
respectievelijk F en G. We zullen aantonen dat F0 = F en G0 = G.
Merk op dat de elementen van F0 precies de tussenvelden K zijn zodat
E/K Galois is, en dat de elementen van G0 precies de deelgroepen van
G zijn die optreden als Galoisgroep van een uitbreiding E/K voor een
tussenveld K. Omdat E/F Galois is, volgt nu uit Gevolg 4.4.3 dat
F0 = F . Anderzijds weten we dat G eindig is, zodat ook elke deelgroep
van G eindig is; uit Stelling 4.5.5 volgt nu dat G0 = G.
(ii) Zij nu K ∈ F en H ∈ G met g(K) = H, of equivalent, f (H) = K.
Aangezien E/K Galois is wegens Gevolg 4.4.3, hebben we
|H| = |Gal(E/K)| = [E : K]
[G : H] = [E : F ]/[E : K] = [K : F ].
H fixeert x ⇐⇒ H σ fixeert xσ
(zie “Algebra I”, of reken dit zelf na). Aangezien f (H) = K volgt hier
onmiddellijk uit dat f (H σ ) = K σ .
(iv) Veronderstel eerst dat K/F Galois is. Dan is K/F een normale uitbrei-
ding, en uit Stelling 4.2.4 volgt dat K σ = K voor elke σ ∈ G. Uit (iii)
volgt dan dat H σ = H voor alle σ ∈ G, en dus is H een normaaldeler
van G.
2
Hierbij stelt de exponentiële notatie in K σ een actie voor (zie Opmerking 4.5.6), terwijl
die bij H σ toevoeging voorstelt: H σ = σ −1 Hσ.
76
Veronderstel omgekeerd dat H E G. Dan volgt uit (iii) dat K σ = K
voor alle σ ∈ G. Voor elke σ ∈ G geldt dus dat de restrictie van σ tot
K een automorfisme van K definieert, dat alle elementen van F fixeert.
We hebben dus een geı̈nduceerde afbeelding
ρ : G → Gal(K/F ) : σ 7→ σ|K ,
Gal(K/F ) = ρ(G) ∼
= G/ ker(ρ) = G/H,
f (x) = x4 − 2 ∈ Q[x],
zodat f geen meervoudige wortels heeft en dus in het bijzonder separabel is.
Zij nu E het splijtveld voor f over Q in C. Uit Stelling 4.4.2 volgt dan
dat E Galois is over Q. We zullen de Galoisgroep G = Gal(E/Q) bepalen,
en dan de hoofdstelling van de Galoistheorie gebruiken om alle tussenvelden
tussen Q en E te vinden.
We bepalen eerst de graad van de uitbreiding E/Q. Merk vooreerst op
dat Q[α] < E, waarbij de inclusie een echte inclusie is omdat Q[α] volledig
77
in R ligt, terwijl iα ∈ E \ R. Verder volgt uit het feit dat zowel α als iα tot
E behoren, dat ook i ∈ E, en dus Q[α, i] ≤ E. In feite is Q[α, i] = E, want
de 4 wortels van f liggen alle in Q[α, i], zodat f splijt over Q[α, i]. Dus
78
induceert. Dus τ ∈ G, en wordt gegeven in zijn actie op Ω door de transpo-
sitie (iα −iα).
Aangezien G transitief is op Ω bestaat er een ρ ∈ G met3 αρ = iα.
Anderzijds moet iρ opnieuw een wortel zijn van het polynoom x2 + 1, en dus
moet iρ ∈ {i, −i}. Indien iρ = i stellen we σ = ρ; indien iρ = −i stellen we
σ = τ ρ. In elk geval voldoet σ nu aan
ασ = iα, iσ = i,
Men gaat na dat deze 5 velden twee aan twee verschillend zijn.
Eens we deze lijsten van tussenvelden hebben, is het overigens niet moei-
lijk om expliciet te bepalen welk van deze tussenvelden met welke deelgroep
van G overeenkomt. We geven twee voorbeelden.
√ σBeschouw de deelgroep√hσi ≤ G van orde 4, en merk op dat iσ = i, terwijl
2 = (α2 )σ = (iα)2 = − 2. Het enige van de 3 tussenvelden van graad 2
dat gefixeerd wordt door σ, is duidelijkerwijze Q[i], dus f (hσi) = Q[i].
3
We herinneren nogmaals aan Opmerking 4.5.6.
79
Q
√ √
Q[ 2] Q[i] Q[ −2]
√
Q[iα] Q[α] Q[i, 2] Q[α + iα] Q[α − iα]
Figuur 4.1: De tussenvelden van E/Q. Velden K waarvoor K/Q Galois is,
staan in het rood.
D8
hσ 2 , τ i hσi hσ 2 , τ σi
hσ 2 τ i hτ i hσ 2 i hτ σi hτ σ −1 i
√ τ σ −iα),
Als tweede voorbeeld beschouwen we het element τ σ = (α iα)(−α √
en de corresponderende deelgroep hτ σi van orde 2. Merk op dat 2 = − 2
en dat i τ σ = −i. Het enige van de 5 tussenvelden van graad 4 dat gefixeerd
wordt door τ σ, is Q[α + iα], dus f (hτ σi) = Q[α + iα].
Ten slotte gaan we na welke van de tussenvelden Galois zijn. Merk
op dat G ∼= D8 precies 4 echte niet-triviale normaaldelers heeft, namelijk
elk van de drie deelgroepen van orde 4, en één van de deelgroepen van
orde 2, namelijk het centrum Z(G) = hσ 2 i, met corresponderend tussenveld
80
√
f (hσ 2 i) = Q[ 2, i]. De Galois-tussenvelden van E/Q zijn dus
√ √ √
Q[ 2], Q[i], Q[i 2], Q[ 2, i].
(Merk op dat het feit dat elke deelgroep van index 2 een normaaldeler is, zich
vertaalt in het feit dat elk tussenveld van graad 2 Galois is, in overeenstem-
ming met Voorbeeld 4.2.2(3)!)
ρ : Gal(K/L) → Gal(E/M).
81
Aangezien f separabel is over L wegens Lemma 4.3.7, besluiten we dat
K/L Galois is.
Zij nu σ ∈ Gal(K/L). Uit Stelling 4.2.4 volgt dat σ(E) = E, zodat
de restrictie van σ tot E een automorfisme van E is, dat bovendien alle
elementen van E ∩ L = M fixeert. Bijgevolg definieert restrictie tot E een
morfisme
ρ : Gal(K/L) → Gal(E/M).
We bewijzen nu dat ρ injectief is. Stel dus N = ker(ρ); dan is E ≤ Fix(N).
Anderzijds is natuurlijk ook L ≤ Fix(N), en dus K = hE, Li ≤ Fix(N),
waaruit volgt dat N = 1.
Ten slotte bewijzen we dat ρ surjectief is. Stel H = im(ρ) ≤ Gal(E/M),
en stel M1 = FixE (H). Dan is uiteraard M ≤ M1 , en elk element van
M1 wordt gefixeerd door elk automorfisme σ ∈ Gal(K/L). Hieruit volgt
dat M1 ≤ Fix(Gal(K/L)) = L. Anderzijds is natuurlijk ook M1 ≤ E, en
dus is M1 ≤ L ∩ E = M, en we besluiten dat M1 = M. Bijgevolg is
Fix(H) = Fix(Gal(E/M)), en uit de hoofdstelling van de Galoistheorie volgt
nu dat H = Gal(E/M), wat bewijst dat ρ surjectief is.
4.8 Inseparabiliteit
Zoals we gezien hebben in Stelling 4.4.2, is het begrip van separabiliteit cruci-
aal in de Galoistheorie. Anderzijds hebben we nog maar één enkel voorbeeld
gezien van inseparabiliteit. Het doel van deze sectie is om te bestuderen hoe
en in welke mate separabiliteit kan falen.
Een belangrijk begrip in deze context is dat van perfecte velden.
82
Definitie 4.8.1. (i) Zij F een veld met char(F ) = p > 0. Beschouw de
afbeelding
Frob : F → F : a 7→ ap .
Uit Lemma 3.5.7 volgt dat Frob een morfisme is; we noemen deze af-
beelding het Frobeniusmorfisme, of kortweg de Frobenius. Merk op dat
Frob steeds injectief is.
(ii) Zij F een veld met char(F ) = p > 0. Beschouw de verzameling
F p := {ap | a ∈ F },
83
dat α als wortel heeft. In het bijzonder is f | f ′ , maar omdat deg(f ′) <
deg(f ) kan dit enkel als f ′ = 0.
Opmerking 4.8.4. Zoals we reeds eerder gezien hebben, impliceert het feit
dat f ′ =P0 niet dat f een constante veelterm is. Inderdaad, als char(F ) = p,
en f = ni=0 ai xi met deg(f ) = n, dan is f ′ = 0 als en slechts als ai = 0 voor
alle i ∈ N \ pN; in dat geval heeft f de gedaante
n/p
X
f (x) = apj xpj = g(xp ),
j=0
waarbij
n/p
X
g(x) = apj xj .
j=0
Merk anderzijds op dat als char(F ) = 0 en f ′ = 0, dan wel volgt dat f een
constante veelterm is.
Gevolg 4.8.5. Zij f ∈ F [x] een irreducibel polynoom, en veronderstel dat f
meervoudige wortels heeft. Dan is char(F ) = p > 0 en f (x) = g(xp ) voor een
zeker irreducibel polynoom g ∈ F [x].
Bewijs. Uit Lemma 4.8.3 weten we dat f ′ = 0, en uit Opmerking 4.8.4 volgt
dan dat char(F ) = p > 0 en f (x) = g(xp ) voor een zekere g ∈ F [x]. Veron-
derstel nu dat g reducibel zou zijn, stel g = g1 g2 . Dan zou f (x) = g(xp ) =
g1 (xp )g2 (xp ), in strijd met de irreducibiliteit van f .
Gevolg 4.8.6. Zij F een veld met char(F) = p > 0, en f ∈ F [x] een
n
irreducibel polynoom. Dan is f (x) = g xp voor een zekere n ≥ 0 en een
zeker irreducibel separabel polynoom g ∈ F [x].
84
Bewijs. Zonder verlies van algemeenheid mogen we aannemen dat f irredu-
cibel is. Dan heeft f meervoudige wortels, en uit Gevolg 4.8.5 weten we dat
char(F ) = p > 0 en f (x) = g(xp ) voor een zekere g ∈ F [x].
Als F wel perfect zou zijn, dan zou elke coëfficiënt van g een p-de macht
zijn, zodat
n/p
X
g(x) = bpi xi
i=0
85
Bewijs. (a) ⇒ (b). Veronderstel dat E/F zuiver inseparabel is, en zij α ∈ E
n
willekeurig. Zij f = minF (α); wegens Gevolg 4.8.6 is f (x) = g xp
voor een zekere n ≥ 0 en een zeker irreducibel separabel polynoom
n n
g ∈ F [x]. Dan is g αp = f (α) = 0, en bijgevolg is g = minF αp .
n
Hieruit volgt dat αp een separabel element is, maar omdat E/F zuiver
n
inseparabel is, besluiten we dat αp ∈ F .
(b) ⇒ (c). Zij α ∈ E. Wegens de veronderstelling is er een n ≥ 0 zodat
n n n
αp ∈ F , en dus is α een wortel van g(x) = xp −αp ∈ F [x]. Aangezien
n
g(x) = (x − α)p heeft elke monische irreducibele factor f van g in F [x]
noodzakelijk de vorm f (x) = (x − α)r voor een zekere r > 0. In het
bijzonder is f (α) = 0, maar dan is f = minF (α). Aangezien f een
willekeurige monische irreducibele factor van g was, besluiten we dat g
een macht is van minF (α)(x) = (x − α)r , en dus is r | pn , stel r = pm
m m
voor een zekere m ≥ 0. Dan is f (x) = xp − a met a = αp .
(c) ⇒ (a). Veronderstel dat α ∈ E separabel is over F . Zij f = minF (α);
n
per veronderstelling is dan f (x) = xp − a voor een zekere n ≥ 0
n
en een zekere a ∈ F . Uiteraard is dan a = αp , en dus is f (x) =
n
(x−α)p . Aangezien f irreducibel en separabel is over F , heeft het geen
meervoudige wortels. Dit kan enkel als n = 0, en dan is a = α ∈ F .
Gevolg 4.8.11. Zij F een veld met char(F ) = p > 0. Veronderstel dat
n
E = F [α] en dat αp ∈ F voor een zekere n ≥ 0. Dan is E/F een zuiver
inseparabele velduitbreiding.
β = am αm + · · · + a1 α + a0 ,
Met behulp van dit gevolg zien we dat elk niet-perfect veld een zuiver
inseparabele uitbreiding heeft:
86
Gevolg 4.8.12. Zij F een niet-perfect veld, en stel p = char(F ). Zij a ∈
F \ F p willekeurig, en stel f (x) = xp − a ∈ F [x]. Zij E het splijtveld van
f over F . Dan is E ∼ = F [x]/(xp − a), en E/F is een zuiver inseparabele
velduitbreiding.
Bewijs. Veronderstel eerst dat E/F zuiver inseparabel is, m.a.w. voor elke
n
α ∈ E is er een n ≥ 0 zodat αp ∈ F (zie Stelling 4.8.10). Het is triviaal
dat dan ook E/K en K/F aan deze eigenschap voldoen en dus ook zuiver
inseparabel zijn.
Veronderstel omgekeerd dat E/K en K/F zuiver inseparabel zijn. We
mogen uiteraard veronderstellen dat E > F , dus ten minste één van de
uitbreidingen E/K of K/F is niet triviaal, en dus is char(F ) = p > 0. Zij
nu α ∈ E willekeurig. Uit Stelling 4.8.10 toegepast op E/K weten we dat
n
αp ∈ K voor een zekere n ≥ 0, en uit diezelfde stelling toegepast op K/F
n p m n+m
volgt dan dat αp ∈ F voor een zekere m ≥ 0. Dus αp ∈ F , en dus
is E zuiver inseparabel over F .
Lemma 4.8.14. Zij E/F een zuiver inseparabele velduitbreiding van eindige
graad. Dan is [E : F ] een macht van p.
87
In het bewijs Stelling 4.8.16 zullen we het volgend hulpresultaat nodig
hebben.
Lemma 4.8.15. Zij E/F een velduitbreiding zodat E = F [α, β], waarbij α
en β separabel zijn over F . Dan is E/F een separabele velduitbreiding.
Bewijs. Zij f = minF (α) minF (β), en merk op dat f separabel is over F . Zij
L het splijtveld van f over E; dan is L ook een splijtveld van f over F , want
E = F [α, β], waarbij α en β wortels zijn van f . Uit Stelling 4.4.2 volgt dan
dat L/F separabel (en zelfs Galois) is, en dus is ook E/F separabel.
K = {α ∈ E | α is separabel over F }.
Dan is K een veld. Het is het unieke tussenveld dat separabel is over F en
waarover E zuiver inseparabel is.
Bewijs. Zij α, β ∈ K. Uit Lemma 4.8.15 weten we dat het volledige veld
F [α, β] bevat is in K, zodat in het bijzonder α − β en α/β (als β 6= 0) bevat
zijn in K. Dit toont aan dat K een veld is, en uit de definitie van K is het
evident dat K dan separabel is over F .
We tonen nu aan dat E zuiver inseparabel is over K. Als F perfect is,
dan is K = E en valt er niks te bewijzen; we veronderstellen dus dat F niet
perfect is, en in het bijzonder is dan char(F ) = p > 0. Zij α ∈ E willekeurig,
n
en zij f = minF (α). We gebruiken Gevolg 4.8.6 om f (x) = g(xp ) te schrijven
voor een zekere n ≥ 0 en een zeker irreducibel separabel polynoom g ∈ F [x].
n
Dan is g het minimaalpolynoom over F van het element αp ∈ E. Omdat
n
g separabel is, volgt hieruit dat αp ∈ K. Uit Stelling 4.8.10 volgt nu dat
E/K zuiver inseparabel is.
Ten slotte veronderstellen we dat F ≤ T ≤ E zodat T /F separabel is en
E/T zuiver inseparabel is. Uit de definitie van K volgt dat T ≤ K ≤ E,
en omdat E/T zuiver inseparabel is, volgt uit Lemma 4.8.13 dat ook K/T
zuiver inseparabel is. Anderzijds echter is K separabel over F , zodat K ook
separabel is over het tussenveld T (zie Lemma 4.3.11). Dus K/T is tegelijk
separabel en zuiver inseparabel, wat enkel kan als T = K.
Een gevolg van Stelling 4.8.16 is dat ook het omgekeerde van Lemma 4.3.11
geldig is.
88
Gevolg 4.8.17. Zij E/F een velduitbreiding, en zij L een tussenveld. Ver-
onderstel dat zowel E/L als L/F separabel zijn. Dan is ook E/F separabel.
Opmerking 4.8.18. Stelling 4.8.16 vertelt ons dat een willekeurige algebra-
ische uitbreiding E/F kan beschouwd worden als twee opeenvolgende uitbrei-
dingen: eerst een separabele uitbreiding K/F , en vervolgens een inseparabele
uitbreiding E/K. Het is een natuurlijke vraag of dit ook in de omgekeerde
volgorde kan: kunnen we elke algebraı̈sche uitbreiding bekomen door eerst
een inseparabele uitbreiding te beschouwen en die vervolgens separabel ver-
der uit te breiden? Deze vraag heeft in het algemeen een negatief antwoord.
Ze heeft wel een positief antwoord voor normale uitbreidingen van eindige
graad. Meer bepaald geldt dat, indien E/F een normale uitbreiding is van
eindige graad, en K = Fix(Gal(E/F )), dan is E/K separabel en is K/F
zuiver inseparabel. (Het feit dat E/K separabel is volgt onmiddellijk uit
Lemma 4.1.13; het feit dat K/F zuiver inseparabel is, is een interessante
oefening.)
Tot slot geven we nog het bewijs mee van Stelling 3.4.6 (zie p. 49).
Bewijs. We veronderstellen eerst dat E/F een separabele uitbreiding is. Zij
f ∈ F [x] een willekeurig niet-nul polynoom; we moeten bewijzen dat f splijt
over E. We mogen veronderstellen dat f irreducibel is en monisch; aan-
gezien f ten minste 1 wortel α heeft in E, is f = minF (α), en wegens de
separabiliteit heeft f geen meervoudige wortels.
Zij nu L een splijtveld voor f over F . Aangezien f separabel is over F , is
L/F wegens Stelling 4.4.2 Galois, en dus ook separabel. Uit de stelling van
het primitieve element (Stelling 4.5.1) volgt dat L = F [β] voor een zekere
β ∈ L. Stel g = minF (β).
Per veronderstelling heeft ook g een wortel γ ∈ E, en uit Stelling 3.1.15
volgt dat L = F [β] isomorf is met F [γ] ≤ E. Bijgevolg is F [γ] een splijtveld
voor f over F , en dus splijt f over E, wat we moesten bewijzen.
89
We veronderstellen nu dat char(F ) = p > 0 en dat E/F niet noodzakelijk
separabel is. Stel
n
K = {α ∈ E | αp ∈ F voor een zekere n ≥ 0},
90
(i) Een velduitbreiding E/F wordt radicaal genoemd, als E = F [α] waarbij
α een wortel is van een polynoom f van de vorm f (x) = xn −a (met a ∈
F ). Anders gezegd, E/F is radicaal als het over F wordt voortgebracht
door een element α ∈ E waarvoor αn ∈ F voor zekere n > 0.
(ii) Een velduitbreiding E/F is een herhaalde radicale uitbreiding als er
velden Fi zijn met
F = F0 ≤ F1 ≤ · · · ≤ Fr = E
zodat elke Fi een radicale uitbreiding van Fi−1 is, voor 1 ≤ i ≤ r.
(iii) Zij f ∈ F [x]. Dan is f oplosbaar in radicalen over F als er een herhaalde
radicale uitbreiding is van F waarover f splijt.
De complexe getallen die we kunnen beschrijven vanuit de gehele getallen
met behulp van de elementaire operaties optellen, aftrekken, vermenigvuldi-
gen, delen en n-de machtswortels nemen, zijn precies die elementen die in een
herhaalde radicale uitbreiding van Q liggen. Zie echter ook Opmerking 4.9.16
verderop.
Uiteraard zullen n-de machtswortels van 1 een bijzondere rol spelen bij
het bestuderen van algemene n-de machtswortels. Daar gaan we nu eerst wat
dieper op in.
Definitie 4.9.2. Zij F een veld, en ζ ∈ F \ {0}.
(i) Het element ζ wordt een eenheidswortel genoemd, als ζ eindige orde
heeft in de multiplicatieve groep F × , i.e. als ζ n = 1 voor een natuur-
lijk getal n ≥ 1. In dat geval wordt het ook een n-de eenheidswortel
genoemd.
(ii) Het element ζ wordt een primitieve n-de eenheidswortel genoemd, als ζ
orde n heeft in de multiplicatieve groep F × , i.e. als ζ n = 1 maar ζ m 6= 1
voor 1 ≤ m < n.
(iii) De verzameling van alle n-de eenheidswortels van F noteren we als µn (F ).
Lemma 4.9.3. Zij F een veld, en stel n ≥ 1. Dan vormt µn (F ) een cyclische
deelgroep van F × met orde een deler van n. We hebben |µn (F )| = n als en
slechts als F een primitieve n-de eenheidswortel bezit.
Bewijs. Dit is een eenvoudige oefening, gebruik makend van Opmerking 3.5.4.
We kunnen een veld van karakteristiek 0 altijd uitbreiden tot een veld
dat een primitieve n-de eenheidswortel bevat, en we hebben controle over de
resulterende Galoisgroep.
91
Lemma 4.9.4. Zij F een veld met char(F ) = 0, en n een positief geheel
getal. Dan bestaat er een velduitbreiding E/F zodat E een primitieve n-de
eenheidswortel ζ bevat, en E = F [ζ]. Bovendien is E/F Galois, en de Ga-
loisgroep G = Gal(E/F ) is isomorf met een deelgroep van Aut(Cn ); in het
bijzonder is G abels.
Ons eerste doel is om een methode te vinden om aan te tonen dat een
velduitbreiding radicaal is. Dit zullen we doen met een resultaat van Kummer
(Stelling 4.9.8), waarvoor we eerst twee lemma’s bewijzen.
92
Lemma 4.9.6 (Dedekind). Zij E een veld. Dan is Aut(E) een lineair on-
afhankelijke deelverzameling van de E-vectorruimte van alle functies van E
naar E. Anders gezegd: zij S een eindige verzameling van automorfismen
van E, en zij voor elke σ ∈ S een element tσ ∈ E gegeven zodat
X
tσ ασ = 0 (∗)
σ∈S
93
Stel α = c−1 ∈ E × ; we beweren dat θ(τ ) = ατ /α voor alle τ ∈ G.
Zij dus τ ∈ G willekeurig. Aangezien στ loopt over alle elementen van G
als σ dat doet, hebben we
X X X τ
α−1 = θ(στ )γ στ = θ(σ)θ(τ )γ στ = θ(σ)γ σ θ(τ ),
σ σ σ
θ : G → hζi ≤ F ×
94
zien we dat E = F [α] een splijtveld is voor f over F , en omdat f
separabel is over F volgt er dat E/F Galois is.
Stel nu G = Gal(E/F ). Het volstaat nu een monomorfisme θ : G → hζi
te construeren; daaruit volgt dan dat G cyclisch is van orde een deler
van n. Aangezien G de wortels van f permuteert, hebben we, voor
elke τ ∈ G, dat ατ = αδ voor een zekere δ ∈ hζi, of dus ατ /α ∈ hζi.
Definieer nu
θ : G → hζi : τ 7→ ατ /α.
Voor alle σ, τ ∈ G hebben we dan
τ
θ(στ ) = αστ /α = ασ /α ατ /α = θ(σ)τ θ(τ ).
95
Lemma 4.9.10. Zij F = F0 ≤ F1 ≤ · · · ≤ Fr = L, waarbij elk van de
uitbreidingen Fi /Fi−1 Galois is met een abelse Galoisgroep. Zij E een tus-
senveld van L/F , en veronderstel dat E/F Galois is. Dan is Gal(E/F ) een
oplosbare groep.
Bewijs. We bewijzen dit per inductie op r, waarbij het geval r = 0 triviaal is;
stel dus r > 0. Stel M = E ∩ F1 en K = hE, F1 i ≤ L, en merk op dat E/M
Galois is. Uit de stelling van de natuurlijke irrationaliteiten (Stelling 4.7.1)
volgt nu dat ook K/F1 Galois is, en dat
Gal(K/F1 ) ∼
= Gal(E/M).
Gal(M/F ) ∼
= Gal(F1 /F ) / Gal(F1 /M);
Stelling 4.9.11 (Galois). Zij F een veld met char(F ) = 0, zij f ∈ F [x], en
zij E een splijtveld van f over F . Dan is f oplosbaar in radicalen over F als
en slechts als Gal(E/F ) een oplosbare groep is.
96
n-de eenheidswortel toevoegen aan E. Uit Lemma 4.9.4 weten we dat er
een velduitbreiding E ∗ /E is zodat E ∗ = E[ζ], waarbij ζ een primitieve n-de
eenheidswortel is.
Stel nu F ∗ = F [ζ] ≤ E ∗ , en merk op dat E ∗ = hF ∗ , Ei. Stel verder
M = F ∗ ∩ E, dus F ≤ M. Uit de stelling van de natuurlijke irrationaliteiten
(Stelling 4.7.1) volgt dat E ∗ /F ∗ Galois is, en dat
Gal(E ∗ /F ∗ ) ∼
= Gal(E/M) ≤ Gal(E/F ),
1 = G0 E G1 E · · · E Gr = G
een compositierij voor G (zie Definitie 1.1.11). Uit Gevolg 1.3.10 weten
we dat elke compositiefactor Gi /Gi−1 cyclisch is van priemorde. Stel dus
[Gi : Gi−1 ] = pi en Ki = FixE ∗ (Gi ) voor elke i; dan is
F ∗ = Kr ≤ Kr−1 ≤ · · · ≤ K0 = E ∗ ,
en Ki−1 /Ki is Galois, met een cylische Galoisgroep van orde pi , voor elke i.
Merk ook op dat elke pi een deler is van |G|, en dus ook van n = |Gal(E/F )|.
Uit de stelling van Kummer (Stelling 4.9.8) volgt nu dat de uitbreidin-
gen Ki−1 /Ki radicaal zijn. Aangezien ook de uitbreiding F ∗ /F radicaal is,
besluiten we dat E ∗ een herhaalde radicale uitbreiding is van F waarover f
splijt. Anders gezegd, f is oplosbaar in radicalen over F .
Veronderstel nu omgekeerd dat f ∈ F [x] oplosbaar is in radicalen over
F , en zij L een herhaalde radicale uitbreiding van F waarover f splijt. Zij
E het splijtveld van f over F in L. Onze doelstelling is om aan te tonen dat
Gal(E/F ) oplosbaar is. We hebben
F = F0 ≤ F1 ≤ · · · ≤ Fr = L
F = K−1 ≤ K0 ≤ K1 ≤ · · · ≤ Kr = L∗ ,
97
en E is een tussenveld van L∗ /F .
Wegens Lemma 4.9.10 volstaat het nu aan te tonen dat elk van de uit-
breidingen Ki /Ki−1 Galois is met een abelse Galoisgroep, voor 0 ≤ i ≤ r.
Voor i = 0 is dit de uitbreiding F [ζ]/F , die Galois is met een abelse Ga-
loisgroep wegens Lemma 4.9.4. Veronderstel nu i > 0; dan is Ki = Ki−1 [αi ]
met αin ∈ Fi−1 ≤ Ki−1 , en aangezien Ki−1 een primitieve n-de eenheidswortel
bevat, kunnen we de stelling van Kummer (Stelling 4.9.8) toepassen. We be-
sluiten dat Ki /Ki−1 een Galois-uitbreiding is met cyclische Galoisgroep.
Gevolg 4.9.12. Zij F een veld met char(F ) = 0, en zij f ∈ F [x] met
deg(f ) ≤ 4. Dan is f oplosbaar in radicalen over F .
Bewijs. De Galoisgroep over F van een splijtveld van f over F werkt getrouw
op de verzameling van de wortels van f , en is bijgevolg isomorf met een
deelgroep van de oplosbare groep S4 . Uit Stelling 4.9.11 volgt dat f oplosbaar
is in radicalen over F .
Dit resultaat is niet langer geldig voor polynomen van graad 5. Merk
op dat S5 niet oplosbaar is, omdat het de enkelvoudige groep A5 bevat als
deelgroep. We gaan nu op zoek naar een polynoom f ∈ Q[x] van graad 5
waarvan de Galoisgroep van het splijtveld van f de volledige groep S5 is.
Lemma 4.9.13. Zij f ∈ Q[x] een irreducibel polynoom van graad p, met p
priem, en zij E een splijtveld van f over Q. Veronderstel dat f precies p − 2
reële wortels en 2 niet-reële complexe wortels heeft. Dan is Gal(E/Q) ∼
= Sp .
Bewijs. We mogen aannemen dat E ≤ C, en we noteren de verzameling van
alle wortels van f in E als Ω. Dan werkt G = Gal(E/Q) getrouw op Ω, en
dus is G isomorf met een deelgroep van Sp .
Aangezien f irreducibel is, werkt G transitief op Ω, en uit de baan-
stabilisator-formule volgt dat p | |G|. Bijgevolg bevat G (of preciezer, het
beeld van G in Sp ) een element a van orde p, dat noodzakelijk een p-cykel
is. Omdat E/Q een normale uitbreiding is, beeldt de complexe toevoeging
E af op zichzelf, en wegens de onderstellingen op de wortels van f definieert
de complexe toevoeging een element van G dat in Sp wordt voorgesteld als
een transpositie b, i.e. een 2-cykel.
Zonder verlies van algemeenheid stellen we b = (1 2) in cykel-notatie.
Merk ook op dat de p-cykel a een zekere macht heeft die 1 op 2 afbeeldt, en
door a te vervangen door deze macht kunnen we dus, opnieuw zonder verlies
van algemeenheid, onderstellen dat a = (1 2 · · · p). Het is nu een eenvoudige
oefening om na te gaan dat Sp = ha, bi.
98
Voorbeeld 4.9.14. Beschouw het polynoom f (x) = 2x5 − 10x + 5 over Q.
Wegens het criterium van Eisenstein is f irreducibel. We zullen aantonen
dat het precies 3 reële wortels heeft, door middel van een eenvoudig functie-
onderzoek. Merk daartoe op dat f ′ (x) = 10(x4 − 1), zodat de grafiek van
y = f (x) stijgt voor −∞ < x < −1 en voor 1 < x < ∞, en daalt voor
−1 < x < 1. Aangezien f (−1) = 13 > 0 en f (1) = −3 < 0, zien we dat f
precies één wortel heeft in elk van de intervallen (−∞, −1), (−1, 1) en (1, ∞),
en we besluiten dat er inderdaad precies 3 reële en dus 2 complexe niet-reële
wortels zijn.
We kunnen dus Lemma 4.9.13 toepassen, en we zien dat f een voorbeeld
oplevert van een polynoom dat niet oplosbaar is in radicalen over Q.
Opmerking 4.9.15. Het is niet geweten of elke eindige groep G kan optreden
als de Galoisgroep van een uitbreiding van Q; dit beroemde open probleem
staat bekend als het inverse Galoisprobleem. Het vorige voorbeeld laat zien
dat G = S5 kan optreden, en het is niet vreselijk moeilijk om op gelijkaardige
wijze in te zien dat G = Sp mogelijk is voor elk priemgetal p. In feite is het
geweten dat G = Sn kan optreden als Galoisgroep over Q voor elke n, maar
het bewijs van dat feit vergt diepere argumenten.
Het is een actief onderzoeksprobleem om van zoveel mogelijk eindige groe-
pen te proberen bewijzen dat ze effectief kunnen optreden als Galoisgroep
van een uitbreiding van Q. Behalve de groepen Sn is dit eveneens gewe-
ten voor de alternerende groepen An , voor alle oplosbare groepen (een zeer
belangrijk resultaat van Shafarevich), en eveneens voor 25 van de 26 spora-
dische groepen. (De sporadische groep waarvoor het antwoord niet gekend
is, is verrassend genoeg de eerder kleine Mathieugroep M23 .)
99
4.10 De grondstelling van de algebra
In deze laatste sectie van dit lange hoofdstuk willen we de grondstelling van
de algebra bewijzen: het veld C is algebraı̈sch gesloten. We kunnen niet
verwachten dat we een puur algebraı̈sch bewijs vinden van deze stelling, om
de eenvoudige reden dat de definitie van het veld C gebaseerd is op die van
het veld R, waarvoor op de een of andere manier een analytische context
nodig is.
Het bewijs dat we zullen geven, maakt echter slechts gebruik van twee
zeer eenvoudige analytische eigenschappen van R en C, en is verder volledig
algebraı̈sch. We geven eerst deze twee eigenschappen als een lemma.
Lemma 4.10.1. (i) Als f ∈ R[x] een polynoom is van oneven graad, dan
heeft f een wortel in R.
(ii) Elk element α ∈ C is het kwadraat van een element β ∈ C.
Bewijs. (i) Zij f ∈ R[x] met deg(f ) oneven, en veronderstel, zonder verlies
van algemeenheid, dat f monisch is. Dan is limx→−∞ f (x) = −∞
terwijl limx→+∞ f (x) = +∞, zodat uit de tussenwaardestelling volgt
dat er een x ∈ (−∞, +∞) bestaat met f (x) = 0.
(ii) Zij α ∈ C, en schrijf α in poolcoördinaten als α = reiθ met r ∈ R,
√ iθ/2
r ≥ 0, en −π < θ ≤ π. Dan voldoet β = re aan α = β 2 .
Het zuiver algebraı̈sche deel van de stelling is bevat in het volgend resul-
taat.
Stelling 4.10.2. Zij R een veld met char(R) = 0, en zij C/R een kwadra-
tische velduitbreiding. Veronderstel dat elk polynoom f ∈ R[x] van oneven
graad een wortel heeft in R, en dat elk element van C het kwadraat is van
een element van C. Dan is C algebraı̈sch gesloten.
Bewijs. Zij L/C een algebraı̈sche uitbreiding. Wegens Lemma 3.4.2 volstaat
het te bewijzen dat L = C, en dus veronderstellen we dat er een α ∈ L zou
zijn met α 6∈ C, en gaan we op zoek naar een strijdigheid. Merk op dat
[C[α] : C] eindig is, en dus is ook [C[α] : R] eindig. Aangezien char(R) = 0
weten we ook dat C[α]/R separabel is. Uit Lemma 4.4.5 volgt dan dat er
een velduitbreiding E/C[α] is zodat E/R Galois is.
Zij nu G = Gal(E/R), en zij S ∈ Syl2 (G). Stel K = Fix(S); dan is
[K : R] = [G : S], en dus is [K : R] oneven. Beschouw nu een willekeurige
β ∈ K, en zij f = minR (β). Dan is deg(f ) = [R[β] : R] een deler van [K : R],
en dus zelf ook oneven. Per veronderstelling heeft f dus een wortel in R, en
100
aangezien f irreducibel is over R, concluderen we dat deg(f ) = 1, en dus
β ∈ R. Aangezien β ∈ K willekeurig was, halen we hieruit dat K = R, en
dus ook G = S. Bijgevolg is G zelf een 2-groep.
Stel nu H = Gal(E/C) ≤ G; dan is ook H een 2-groep, en bovendien
is |H| = [E : C] > 1 aangezien α ∈ E \ C. Wegens Gevolg 1.3.15 bestaat
er een deelgroep M ≤ H met [H : M] = 2. Stel F = Fix(M); dan is
[F : C] = [H : M] = 2, en dus kunnen we een γ ∈ F \ C kiezen.
Zij q = minC (γ); dan is deg(q) = 2. Echter, aangezien C gesloten is onder
het nemen van vierkantswortels, kunnen we de formule voor de oplossingen
een vierkantsvergelijking gebruiken om een wortel voor q te vinden in C. Dit
is in strijd met het feit dat q irreducibel is over C, en deze contradictie besluit
het bewijs.
101
Hoofdstuk
5 Vrije groepen
5.1 Inleiding
We zullen vrije groepen definiëren aan de hand van een universele eigenschap.
Dit is op het eerste gezicht niet erg inzichtelijk, maar we zullen spoedig een
expliciete constructie geven van vrije groepen.
Definitie 5.1.1. Zij F een groep, en X ⊆ F een deelverzameling van F .
We zeggen dat F vrij is over X, als voor elke groep G en elke afbeelding
θ : X → G geldt dat er een uniek groepsmorfisme Θ : F → G bestaat dat een
uitbreiding is van θ.
De structuur van een vrije groep wordt volledig bepaald door de kardi-
naliteit van de verzameling |X|. Merk op dat we geen restrictie leggen op de
grootte van deze verzameling; deze kardinaliteit kan dus ook oneindig zijn.
Stelling 5.1.2. Zij F1 een groep die vrij is over X1 ⊆ F1 , en zij F2 een groep
die vrij is over X2 ⊆ F2 . Dan is F1 ∼
= F2 als en slechts als |X1 | = |X2 |.
Bewijs. Merk op dat |X1 | = |X2 | als en slechts als er een bijectie β : X1 → X2
bestaat.
Veronderstel eerst dat een dergelijke β bestaat, en beschouw de inclusie-
afbeeldingen
ι1 : X1 → F1 en ι2 : X2 → F2 .
Beschouw de afbeelding ι2 ◦ β : X1 → F2 . Omdat F1 vrij is over X1 , is er een
uniek groepsmorfisme Θ1 : F1 → F2 dat een uitbreiding is van ι2 ◦ β. Analoog
beschouwen we de afbeelding ι1 ◦ β −1 : X2 → F1 ; omdat F2 vrij is over X2 , is
er een uniek groepsmorfisme Θ2 : F2 → F1 dat een uitbreiding is van ι1 ◦ β −1 .
Beschouw nu de afbeelding α := Θ2 ◦Θ1 : F1 → F1 , en merk op dat α|X1 =
idX1 . Anderzijds is ook idF1 : F1 → F1 een afbeelding met de eigenschap
103
dat (idF1 )|X1 = idX1 . Echter, omdat F1 vrij is over X1 , is er een uniek
groepsmorfisme van F1 naar F1 dat een uitbreiding is van idX1 , en dus is
Θ2 ◦ Θ1 = α = idF1 .
Analoog is
Θ1 ◦ Θ2 = idF2 ,
en we besluiten dat Θ1 een groepsisomorfisme is van F1 naar F2 .
Veronderstel nu omgekeerd dat F1 ∼ = F2 , en stel i ∈ {1, 2}. Merk op dat
|Xi |
er precies 2 afbeeldingen bestaan van Xi naar de groep G = C2 . Omdat
Fi vrij is over Xi , impliceert dit dat er precies 2|Xi | morfismen bestaan van
Fi naar C2 . Bijgevolg is 2|X1 | = 2|X2 | , en als X1 of X2 eindig is, impliceert
dit1 dat |X1 | = |X2 |.
In het algemene geval (als X1 en X2 niet noodzakelijk eindig zijn) vereist
dit een ander argument, dat we enkel kort schetsen. Stel Ai gelijk aan de
abelianisatie van Fi , i.e. Ai := Fi /[Fi , Fi ], en stel vervolgens Bi := Ai /A2i ,
waarbij A2i = {a2 | a ∈ Ai }. Dan is Bi een elementair abelse 2-groep, en men
kan aantonen dat de 2-rang van Bi precies gelijk is aan |Xi |. Uit F1 ∼ = F2
∼
volgt dan B1 = B2 en bijgevolg |X1 | = |X2 |.
X ± := X ∪ X −1 ,
waarbij de unie dus een disjuncte unie is. Definieer vervolgens de verzameling
X ∗ := {x1 x2 · · · xr | xi ∈ X ± }
bestaande uit alle strings (woorden genoemd) bestaande uit elementen van
X ± . (We noemen de verzameling X ± dan ook wel het alfabet.) De bewerking
“concatenatie” (aan-elkaar-voeging) maakt van X ∗ een monoı̈de, i.e. een ver-
zameling met een associatieve bewerking en een neutraal element (hier het
1
Als X1 en X2 oneindig zijn, is deze implicatie enkel waar als de GCH, de veralgemeende
continuumhypothese, ondersteld wordt.
104
“lege woord”); we noemen deze monoı̈de de vrije monoı̈de over het alfabet
X ±.
We noemen een woord w = x1 x2 · · · xr ∈ X ∗ gereduceerd als xi+1 6= x−1 i
voor alle i ∈ {1, . . . , r − 1}. Als w ∈ X ∗ een willekeurig woord is, dan defini-
eren we de reductie van w als het gereduceerde woord w dat we verkrijgen
uit w door opeenvolgende paren xx−1 (met x ∈ X ± ) te schrappen uit het
woord. Stel nu
F (X) := {w ∈ X ∗ | w is gereduceerd}.
w1 · w2 := w1 w2 .
Bewijs. We tonen eerst aan dat F (X) een groep is, met als neutraal element
het lege woord. Inderdaad, de associativiteit van de bewerking is evident;
−1 −1
en als g = x1 x2 · · · xr ∈ F (X), met xi ∈ X ± , dan is h = x−1
r · · · x2 x1 een
invers voor g.
We tonen nu aan dat F (X) vrij is over X. Zij dus G een willekeurige
groep, en θ : X → G een willekeurige afbeelding. Stel nu
105
We hadden ook rechtstreeks uit de definitie kunnen halen dat (Z, +) vrij
is over de deelverzameling {1} ⊂ Z. Inderdaad, zij G een willekeurige
groep, en θ : {1} → G een willekeurige afbeelding (of dus anders ge-
zegd, g := θ(1) is een willekeurig element van G). Dan is er een uniek
groepsmorfisme Θ : Z → G met Θ(1) = g, namelijk Θ : Z → G : n 7→ g n .
(2) Zij 1 ≤ m ≤ n natuurlijke getallen, en beschouw verzamelingen X ⊆ Y
met |X| = m en |Y | = n. Dan induceert de inclusie X ⊆ Y een inclusie
van groepen F (X) ≤ F (Y ). Dus Fm is “op natuurlijke wijze” bevat
in Fn .
(3) De structuur van de groep F2 is al meteen veel complexer dan die van F1 .
Stel X = {a, b}, en dus X ± = {a, a−1 , b, b−1 }. De groep F (X) bestaat
nu uit alle gereduceerde woorden gevormd met dit alfabet, bijvoorbeeld
Om in te zien dat de structuur van deze groep niet eenvoudig kan zijn,
proberen we de afgeleide groep F2′ te begrijpen. Merk op dat, voor alle
m, n ∈ Z \ {0}, de commutator
Stelling 5.1.7. Als |X| ≥ 2, dan heeft F (X) een triviaal centrum.
106
gereduceerd blijft). Deze contradictie toont aan dat xr ∈ {a, a−1 }. Echter,
a was willekeurig gekozen, dus als we een b ∈ X \ {a} kiezen, besluiten
we dat ook xr ∈ {b, b−1 }. Dit kan natuurlijk niet, dus de onderstelling dat
w ∈ Z(F (X)) is vals.
5.2 Presentaties
Intuı̈tief zou men kunnen stellen dat de vrije groep Fn een groep is die voort-
gebracht is door n elementen x1 , . . . , xn , waar men geen verdere relaties op-
legt. We kunnen deze intuı̈tie formeel maken, en dit leidt tot het belangrijke
begrip van presentaties van willekeurige groepen.
We beginnen met een eenvoudige maar in deze context zeer relevante
observatie.
Stelling 5.2.1. Elke groep is het quotiënt van een vrije groep.
107
als hX | Ri, als de groep
hX | Ri := F (X) hRF (X) i.
(iii) Zij G een groep, en zij X ⊆ G een voortbrengende verzameling voor G.
Als R ⊆ F (X) met G ∼ = hX | Ri, dan zeggen we dat (X, R) een
presentatie voor G is. We schrijven vaak G = hX | Ri in plaats van
G∼ = hX | Ri.
(iv) In de praktijk zullen we vaak relaties schrijven in plaats van relatoren,
waarbij een relatie g = h dan overeenkomt met een relator gh−1 ∈ R.
(v) Een groep G is eindig voortgebracht als er een eindige voortbrengende
verzameling X bestaat voor G. Een groep G is eindig gepresenteerd als
er een eindige voortbrengende verzameling X bestaat voor G, en een
eindige verzameling R ⊆ F (X), zodat G = hX | Ri.
Voorbeeld 5.2.3. (1) De vrije groep Fn heeft presentatie
Fn = hx1 , . . . , xn | ∅i,
in overeenstemming met onze intuı̈tie dat de groep n voortbrengers heeft
zonder bijkomende relaties.
(2) De eindige cyclische groep Cn heeft presentatie Cn = ha | an i, hetgeen
we ook noteren als Cn = ha | an = 1i.
(3) De diëdergroep D2n heeft presentatie ha, b | an = b2 = 1, b−1 ab = a−1 i.
Merk op dat deze voorstelling overeenkomt met het semidirect product
D2n = hai ⋊ hbi dat we reeds vroeger hebben ontmoet.
(4) Als G een groep is met presentatie hX | Ri en H is een groep met
presentatie hY | Si, dan heeft G × H presentatie hX ∪˙ Y | R, S, [X, Y ]i,
waarbij de notatie ∪˙ benadrukt dat de unie een disjuncte unie is, en de
notatie [X, Y ] staat voor de verzameling van elementen van de vorm [x, y]
met x ∈ X en y ∈ Y . Zo heeft bijvoorbeeld de groep Z × Z presentatie
ha, b | [a, b] = 1i.
(5) Het is in het algemeen een moeilijk probleem om de structuur te ach-
terhalen van een groep die gegeven is door een presentatie. Zo blijkt
bijvoorbeeld dat ha, b | a3 = b2 = 1i een presentatie is voor PSL2 (Z).
(6) Een voorbeeld van een groep G die eindig voortgebracht is, maar niet
eindig gepresenteerd, is de groep Z ≀ Z, het kransproduct van Z met
zichzelf.
Interessant is dat we een visuele voorstelling kunnen maken van een groep
met een gegeven voortbrengende verzameling: de zogenaamde Cayleygraaf.
We herhalen eerst de definitie van een (gerichte) graaf.
108
Definitie 5.2.4. (i) Een (ongerichte) graaf is een koppel Γ = (V, E), waar-
bij V een verzameling is met elementen die we toppen of knopen noemen,
en waarbij E een verzameling is van ongeordende paren uit V , die we
bogen of kanten noemen. We maken een grafische voorstelling van een
graaf door de toppen als bollen of punten te tekenen, en de bogen als
(rechte of gebogen) lijnstukken die de toppen verbinden. Als Γ een
graaf is, dan noteren we de toppen- en bogenverzameling als V (Γ) res-
pectievelijk E(Γ).
(ii) Een cykel in een graaf Γ is een rij van toppen v1 , . . . , vn met vn =
v1 , zodat elke twee opeenvolgende toppen een boog vormen, en zodat
vi−1 6= vi+1 voor alle i. Een boom is een graaf Γ zonder cykels.
(iii) Een gerichte graaf is een koppel Γ = (V, E), waarbij V een verzameling
is met elementen die we toppen of knopen noemen, en waarbij E een
verzameling is van geordende paren uit V , die we bogen of pijlen noe-
men. We maken een grafische voorstelling van een graaf door de toppen
als bollen of punten te tekenen, en de bogen als (rechte of gebogen) lijn-
stukken voorzien van een pijl, die de toppen verbinden. Het is hierbij
toegestaan dat er tussen twee toppen een pijl is in beide richtingen.
(iv) Een (gerichte of ongerichte) graaf Γ noemen we (boog)gekleurd, als we ze
voorzien van een verzameling kleuren C, en een afbeelding c : E(Γ) → C.
(v) Een automorfisme van een (ongerichte of gerichte) graaf Γ = (V, E) is
een permutatie α van de toppenverzameling V zodat voor alle x, y ∈ V
geldt dat (x, y) ∈ E als en slechts als (xα , y α) ∈ E. De verzameling van
alle automorfismen van Γ vormt een groep onder de samenstelling, die
we de automorfismengroep van Γ noemen, en noteren als Aut(Γ).
Definitie 5.2.5. Zij G een groep met voortbrengende verzameling S die het
element 1 ∈ G niet bevat. De Cayleygraaf van G met betrekking tot S is de
gerichte gekleurde graaf Γ = Cay(G, S), gedefinieerd als volgt.
• De toppenverzameling V (Γ) is precies de verzameling G.
• We associëren een kleur cs met elke voortbrenger s ∈ S.
• Voor elke g ∈ G en elke s ∈ S verbinden we de top g met de top gs
met een gerichte boog van kleur cs . In het bijzonder is dus
Vaak (maar zeker niet altijd) wordt bijkomend ondersteld dat de voortbren-
gende verzameling S gesloten is onder inversen; in dat geval kunnen we de
Cayleygraaf interpreteren als een ongerichte graaf.
109
Voorbeeld 5.2.6. Beschouw de groep
ba3 ba2
a a2
e a3
b ba
Bewijs. Dit volgt onmiddellijk uit het feit dat (g, gs) een gerichte boog is
met kleur cs als en slechts als (hg, hgs) een gerichte boog is met kleur cs ,
voor alle h ∈ G.
110
5.3 Vrije acties op bomen
We richten ons nu opnieuw tot vrije groepen. Het feit dat we in een vrije
groep geen relaties hebben tussen de voortbrengers, vertaalt zich naar het
feit dat de Cayleygraaf geen cykels heeft.
Lemma 5.3.1. Zij F een vrije groep over X ⊆ F . Dan is Cay(F, X) een
boom.
Bewijs. Veronderstel dat Cay(F, X) een cykel g0 –g1 –· · · –gr−1–gr met gr = g0
bevat. Dan zijn er elementen xi ∈ X ± zodat gi+1 = gi xi voor alle i ∈
{0, . . . , r − 1}, waaruit volgt dat x0 x1 · · · xr−1 = 1. Merk op dat xi+1 6= x−1
i
voor alle i ∈ {0, . . . , r − 2}, omdat anders gi = gi+2 zou zijn, in strijd met
de definitie van een cykel. Bijgevolg is het woord x0 x1 · · · xr−1 gereduceerd.
Dit is strijdig met de definitie van F (X). We besluiten dat Cay(F, X) geen
cykels bevat, en dus een boom is.
Ter illustratie schetsen we de Cayleygraaf van de vrije groep F2 op twee
letters.
Voorbeeld 5.3.2. Zij F2 = ha, b | ∅i, met S = {a, b}. Als we ca rood kiezen
en cb blauw kiezen, dan ziet de Cayleygraaf Cay(F2 , S) er als volgt uit.
In het bijzonder heeft een vrije groep een vrije actie op een boom, zoals
we nu verklaren.
111
Definitie 5.3.3. Zij T een boom, en G ≤ Aut(T ) een groep van automor-
fismen van T . We zeggen dat G vrij werkt op T als geen enkel niet-triviaal
element van G een top of een (ongerichte) boog van T fixeert.
Gevolg 5.3.5. Zij F een vrije groep. Dan heeft F een vrije actie op een
boom.
Het doel van deze sectie is om ook het omgekeerde te bewijzen: als een
groep G een vrije actie heeft op een boom, dan is G een vrije groep. Om aan
te tonen dat een groep vrij is, zullen we gebruik maken van (een eenvoudige
versie van) het pingpong lemma.
Lemma 5.3.6 (Pingpong lemma). Zij G een groep werkend op een verza-
meling Ω, en zij X een voortbrengende verzameling voor G. Veronderstel dat
er voor elk element x ∈ X ± een deelverzameling Ax ⊆ Ω gegeven is, en zij
p ∈ Ω een element dat in geen enkel van deze deelverzamelingen Ax bevat is.
Veronderstel verder dat
(
px ∈ Ax voor alle x ∈ X ± ;
(Ay )x ⊆ Ax voor alle y ∈ X ± \ {x−1 }.
Dan is G ∼
= F (X).
Bewijs. Beschouw de vrije groep F (X) over X, en het bijhorend surjectief
groepsmorfisme ϕ : F (X) → G met ϕ(x) = x voor alle x ∈ X. Het volstaat
om aan te tonen dat als w = x1 · · · xn ∈ F (X) een gereduceerd woord is, dat
dan ook ϕ(w) 6= 1; dat bewijst dan immers dat ϕ injectief is, en bijgevolg
een isomorfisme is.
112
Beschouw hiertoe de actie van F (X) op Ω geı̈nduceerd door ϕ, i.e. we
definiëren sw := sϕ(w) voor alle s ∈ Ω en alle w ∈ F (X). We zullen aantonen
dat pw 6= p indien w 6= 1. Meer bepaald beweren we:
px1 ···xn ∈ Axn . (∗)
We gebruiken inductie op de lengte n van het woord w = x1 · · · xn . Voor
n = 1 volgt dit onmiddellijk uit het gegeven dat px ∈ Ax voor alle x ∈ X ± .
Stel nu n > 1, en stel v = x1 · · · xn−1 ; dan is v een gereduceerd woord
van lengte n − 1 < n. Wegens de inductiehypothese is pv ∈ Axn−1 . Omdat w
gereduceerd is, is xn 6= x−1
n−1 , en uit het gegeven volgt nu dat
113
Lemma 5.3.10. Zij G een groep die vrij werkt op een boom T . Dan is er
een fundamentaalgebied voor de actie van G op T .
Bewijs. We gebruiken eerst het lemma van Zorn om aan te tonen dat er een
deelboom D van T is die maximaal is in de familie F van alle deelbomen
die ten hoogste één top van elke G-baan bevatten. Uiteraard is F niet ledig
(beschouw bijvoorbeeld een boom met 1 top). Beschouw nu een willekeurige
keten C ⊆ F , en stel U gelijk aan de unie van alle deelbomen in C. Dan
is U samenhangend, en dus opnieuw een deelboom. Veronderstel nu dat U
twee toppen van eenzelfde G-baan zou bevatten, stel v en v g , voor een zekere
g 6= 1. Dan zijn v en v g beide bevat in een zekere boom S van de keten C,
wat in strijd is met S ∈ F . Dus is inderdaad U ∈ F een bovengrens voor de
keten C. Uit het lemma van Zorn volgt nu dat F een maximaal element D
bevat.
Veronderstel nu dat D niet uit elke G-baan een top bevat. Dan is
[
V (T ) 6= V (D g ).
g∈G
Definitie 5.3.11. Zij T een boom, en zij D een willekeurige deelboom van T .
De (gerichte) bogen van T die hun begintop in D hebben maar hun eindtop
niet in D, worden de randbogen van D genoemd. De verzameling van deze
randbogen noteren we als ∂D.
Stelling 5.3.12. Een groep is vrij als en slechts als hij vrij werkt op een
boom.
Bewijs. We weten reeds uit Stelling 5.3.5 dat een vrije groep een vrije actie
heeft op een boom.
114
Veronderstel dus dat G een groep is die vrij werkt op een boom T , en zij D
een fundamentaalgebied voor deze actie (wat bestaat wegens Lemma 5.3.10).
Stel
S = {g ∈ G \ {1} | er is een boog tussen D en D g }.
Merk op dat S = S −1 . We beweren dat
G = hSi.
Beschouw daartoe een vaste top v ∈ V (D), en stel B ⊆ E(T ) gelijk aan de
unie van alle G-banen van de bogen in ∂D, met andere woorden, B bestaat
precies uit alle bogen die een D g verbinden met een D h , voor alle g, h ∈ G met
g 6= h. (Voor gegeven g, h bestaat er telkens ten hoogste één dergelijke boog.)
Voor elke g ∈ G stellen we b(g) gelijk aan het aantal bogen in het unieke
kortste pad van v naar v g die in B liggen. Stel dan Gn := {g ∈ G | b(g) = n}.
We zullen per inductie op n bewijzen dat Gn ⊆ hSi.
Merk vooreerst op dat G1 = S. Inderdaad, g ∈ G1 als en slechts als g een
niet-triviaal element is zodat het unieke pad van v naar v g slechts 1 element
van B bevat, maar dat element is dan noodzakelijk de unieke boog tussen D
en D g .
Veronderstel nu dat g ∈ Gn+1 , en dat we al weten dat Gn ⊆ hSi. Het
unieke pad van v naar v g bevat nu n + 1 elementen van B. Zij e het element
van B dat het dichtst bij v ligt op dit pad. Dan is e de unieke boog tussen D
en D s , voor een zekere s ∈ S. Bovendien liggen er tussen D s en D g precies n
bogen van B, en in het bijzonder bevat het unieke pad tussen v s en v g juist n
−1
elementen van B. Hieruit volgt dat het unieke pad tussen v en v gs juist n
elementen van B bevat, en dus is gs−1 ∈ Gn . Wegens de inductiehypothese
is dus gs−1 ∈ hSi, maar dan ook g ∈ hSi, en dit bewijst dat Gn+1 ≤ hSi.
Aangezien dit nu geldt voor alle n, besluiten we dat inderdaad G = hSi.
We willen nu het pingpong lemma toepassen. Omdat G geen involuties
bevat (Lemma 5.3.8), en S = S −1 , kunnen we een deelverzameling X van S
kiezen zodat S de disjuncte unie X ± is van X en X −1 . We stellen nu, voor
elk element s ∈ S,
115
Zij dus w ∈ At willekeurig; dan snijdt het unieke pad van v naar w de
−1
toppenverzameling V (D t ). Beschouw nu anderzijds D s ; omdat t 6= s−1 , is
−1 −1 −1
D s 6= D t , zodat het unieke pad van v s naar w achtereenvolgens D s ,
D en D t doorloopt. Door op dit alles s te laten inwerken, zien we dat het
unieke pad van v naar w s achtereenvolgens D, D s en D ts doorloopt. In het
bijzonder is w s ∈ As , wat (∗) bewijst.
Alle voorwaarden van het pingpong lemma (Lemma 5.3.6) zijn dus vol-
daan, en we besluiten dat G ∼ = F (X) een vrije groep is.
Gevolg 5.3.13 (Stelling van Nielsen–Schreier). Een deelgroep van een vrije
groep is opnieuw vrij.
Bewijs. Als G een vrije groep is, dan werkt G vrij op een boom T , zodat ook
elke deelgroep H vrij werkt op diezelfde boom T , en dus is ook H een vrije
groep.
Opmerking 5.3.14. (i) Het oorspronkelijke bewijs van deze stelling, zo-
als ze werd bewezen door Nielsen en Schreier, is van een heel andere
aard, en bestaat uit een zeer nauwkeurige analyse van woorden in vrije
groepen.
(ii) Door middel van een preciezer argument kan men ook bewijzen dat als
F een vrije groep is van rang a, en H ≤ F een deelgroep van eindige
index n, dan is H een vrije groep van rang b, waarbij
b − 1 = n(a − 1).
116